'Rechten mens moeten in elke cultuur worden gerespecteerd'; Vraaggesprek met Chinese dissident Wu

Mensen die plotseling in zijn blikveld komen doen hem opschrikken. Negentien jaar gevangenschap (van 1960 tot 1979) hebben de Chinese dissident Harry Wu niet onberoerd gelaten. Wu was deze week in Nederland om de Geuzenpenning in ontvangst te nemen, hem toegekend wegens zijn strijd 'tegen verregaande ontmenselijking van de samenleving'.

VLAARDINGEN, 15 MAART. Rechten van de mens zijn rechten van de mens, of het nu om Europa gaat of China. Dat zegt de Chinese dissident Harry Wu, aan wie deze week de Geuzenpenning werd uitgereikt. “Mensenrechten zijn universeel. De Chinezen verdienen ze, net als u”, aldus Wu. De dissident schat dat tussen de zes en acht miljoen mensen in de Volksrepubliek China gevangen worden gehouden wegens hun politieke of religieuze overtuiging of omdat zij opkomen voor de rechten van de etnische minderheidsgroepen.

Wu wijt het gebrek aan belangstelling voor de schendingen van de mensenrechten aan het gebrekkige begrip in het Westen voor China. “China is een mysterie voor de meeste mensen. Het spreekt tot de verbeelding. Mensen in het Westen leren over de ingebonden voeten, over de opium, over de Chinese Muur; de rest is een mysterie. Vanaf 1949, na de revolutie van Mao, onstond er ineens een groot zwart gat. China sloot zijn deuren, de bevolking werd gehersenspoeld, de Chinezen raakten mentaal gehandicapt. Het Westen sloot zijn ogen, vooral na Kissingers toenadering tot de Volksrepubliek in het begin van de jaren zeventig. Het Westen kon maar één vijand hebben: de Sovjet-Unie.” De goelags waarover Solzjenitsyn schreef, verdrongen de lagaoi, de Chinese strafkampen.

Wu zat van 1960 tot 1979 opgesloten in werkkampen omdat hij een 'rechts' element was. Over zijn jaren in de lagoai schreef hij in 1994 het boek Bittere Kou. Met de politieke liberalisering van Deng Xiaoping kwam Wu in 1979 vrij. “Een kleine kooi werd een grote kooi.” In 1985 verhuisde hij, op uitnodiging van een Amerikaanse universiteit, naar de Verenigde Staten. Wu nam in 1993 de Amerikaanse nationaliteit aan, nadat zijn Chinese naam, Hongda Wu, op een zwarte lijst was geplaatst wegens een eerdere reportage over schendingen van mensenrechten in 1991.

“Ik reis nooit met valse documenten, ik ben geen drugsdealer. Met valse papieren zou ik de autoriteiten een voorwendsel geven mij te arresteren”, zegt Wu. Hij bezocht China in 1991 onder zijn Chinese naam en met zijn Chinese paspoort. De reizen in 1994 en in de vorige zomer, waarbij hij werd opgepakt, maakte hij met een Amerikaans paspoort en onder zijn nieuwe, Amerikaanse naam: Peter Hongda Wu. “Harry is een bijnaam die ik kreeg in de koloniale wijk in Shanghai waar ik ben opgegroeid. Een wijk waar veel Engelsen woonden.”

In 1994 kreeg Wu bekendheid nadat hij met een verborgen camera wantoestanden in Chinese werkkampen had aangetoond, zoals afgedwongen donaties van organen door gevangenen (die daarna zouden zijn geëxecuteerd) aan zieke leden van het hogere partijkader. Toen hij vorig jaar opnieuw de Volksrepubliek binnen wilde werd hij bij de grensplaats Horgos aangehouden. De douanebeambte tikte zijn naam in de computer en voor Wu er erg in had was de deur geblokkeerd door twee politieagenten. “Ze zeiden: We wisten dat je terug zou komen, we wisten dat je het niet kon laten.”

Na zijn arrestatie werd Wu goed behandeld, zegt hij. Hij werd niet gemarteld, verbleef in een villa aan een meer en at wat zijn bewakers aten. Zijn bewakers zeiden hem dat hij deze speciale behandeling dankte aan zijn VS-paspoort. “Ik voelde mij daar erg schuldig over. Een Amerikaans paspoort maakt mij blijkbaar 'meer' dan een Chinees. Een Chinees mag blijkbaar zomaar verdwijnen, een Amerikaan niet.” Wu werd in augustus 1995 wegens spionage en diefstal van officiële documenten veroordeeld tot 15 jaar gevangenisstraf en werd direct uitgewezen naar de VS.

Volgens Wu wijst de politieke elite in China beschuldigingen van schendingen van mensenrechten af met het argument dat een mens 'eerst moet kunnen leven om mens te zijn en rechten te kunnen hebben'. “De Chinese regering zegt dat het haar taak is de mens te voeden; een dood mens heeft geen rechten. Eerst de economie, pas daarna is er plaats voor de mensenrechten.”

Een tweede argument dat China naar voren brengt ter verdediging van de schendingen van mensenrechten is dat de definitie van deze rechten in het Handvest van de Verenigde Naties een Westerse visie weergeeft die niet strookt met de Aziatische cultuur. Wu: “China heeft een eigen, confucianistische cultuur, dat is waar. Mao heeft campagne gevoerd tegen het confucianisme, maar hij deed dat selectief. Hij wilde alleen de banden binnen families verbreken. Een zoon mocht niet langer loyaal zijn tegenover zijn vader, maar moest dat zijn tegenover de communistische partij. De leiders van het China van na de revolutie regeren op dezelfde wijze als de feodale heren en de keizers. Zij zijn keizers zonder kroon.”

Als zoon van een bemiddelde bankemployé groeide Wu op in beschermde bourgeois-kringen en werd katholiek opgevoed. Wu erkent dat deze twee in China ongewone omstandigheden hem onderscheiden van het merendeel van zijn volksgenoten en in belangrijke mate zijn maatschappelijke ideeën hebben gevormd. “Maar het zijn ideeën waar in een democratische samenleving over gepraat kan worden. In totalitaire systemen, in China, kan dat niet. De invoering van mensenrechten ondermijnt de positie van de totalitaire machthebbers, dat is de reden voor bijvoorbeeld Lee Kuan Yew (de leider van Singapore, red.) en andere Oosterse leiders om zich achter de cultuur te verschuilen. Het Westen moet Chinezen stimuleren om te zeggen: ja, ik ben hetzelfde als een Nederlander. Ik ben een mens.”

“China bevindt zich in een stadium waarin Westerse landen zich enkele eeuwen geleden bevonden. Want wat waren mensenrechten in Nederland driehonderd jaar geleden? De confucianistische tradities beheersen nog steeds het leven in China. Maar niemand mag daarom zeggen: jullie hebben een Oosterse cultuur, jullie verdienen geen mensenrechten.”

Het Chinese volk is na decennia campagnevoeren ideologisch uitgeblust, zegt Wu. “De mensen hebben in de eerste dertig jaar na de revolutie alles opgeofferd voor de idealen van de Partij. Na alle politieke campagnes kijken mensen om en denken: er is niets, waarom hebben we dit allemaal gedaan? Mensen vluchtten nu in materialisme. Mijn volk was zo diep betrokken bij het idealisme en is daardoor zo gedesillusioneerd dat de mensen nu alleen nog maar materiële wensen hebben. Maar menselijke wezens hebben iets nodig om over na te denken. Een vogel heeft twee vleugels. Als er een is vastgebonden, kan een vogel niet vliegen. Economische vrijheid in China kan uiteindelijk niet werken, niet zonder politieke vrijheid.”