Politicus moet zich minder aantrekken van actiegroep

Politieke partijen staan onder druk. De leden lopen weg, de actiegroepen rukken op en referenda bedreigen de positie van het parlement. K. Groenveld en C. Klop vinden dat je die trend niet met subsidies aan partijen moet tegengaan.

Binnenkort bespreekt de ministerraad een notitie van de minister van Binnenlandse Zaken over de positie en financiën van politieke partijen. De vraag staat daarbij centraal of en in welke vorm politieke partijen en de aan die partijen verbonden instituten subsidie behoeven.

Deze vraag en het antwoord daarop zijn van belang, omdat de partijen door een structureel ledenverlies in toenemende ademnood komen. Een directe subsidiëring van de politieke partijen zou het ledenverlies ten dele kunnen compenseren. Het is echter de vraag of het verstandig is het verlies aan contributiegeld via directe partijsubsidies op te vangen.

Van groot belang is vooral herstel van de betrokkenheid van het electoraat bij politieke partijen via een lidmaatschap. De prikkel tot dit herstel mag niet door directe partijsubsidiëring worden weggenomen. Alle pogingen moeten in het werk worden gesteld om het draagvlak van de partijen te versterken.

Vaak wordt tegen deze stellingname ingebracht dat een steeds verder afkalvend draagvlak onontkoombaar is, onder meer omdat de activiteiten van de burgers binnen het publieke domein in toenemende mate plaats hebben in single issue-bewegingen, actie- en belangengroepen. Deze groepen trachten buiten de politieke partijen om hun verlangens door directe actie gericht op regering en parlement door te drijven. De calculerende burger schat het rendement van participatie in een belangenclub hoger dan het lidmaatschap van een politieke partij. Een dalend ledental is onder meer hiervan het gevolg.

Inderdaad, deze ontwikkeling is gaande, maar men bewijst het functioneren van onze democratie een slechte dienst door zich hier fatalistisch bij neer te leggen. Het grote bezwaar tegen de meer directe actiegroepen-democratie is dat het algemeen belang wordt weggedrukt ten bate van particuliere groepsbelangen of ideële, maar toch enkelvoudige belangen. In een dergelijke democratie is algemeen belang verworden tot een optelsom van de enkelvoudige belangen. Kenmerkend voor actieclubs is namelijk het ontbreken van de afwegingsfunctie.

In beginsel komt die afwegingsfunctie wel tot haar recht binnen politieke partijen, voor zover die partijen zich niet - zoals bijvoorbeeld ouderenpartijen - uitsluitend richten op de belangen van een bepaalde groep, of op een bepaald issue zoals bijvoorbeeld de zorg voor een schoon milieu.

In een representatieve democratie zoals de onze behoort het parlement geen afspiegeling te zijn van een in belangengroepen gesegmenteerde bevolking. Nee, ten principale dienen alle volksvertegenwoordigers ieder afzonderlijk de belangen van alle burgers tezamen. Met andere woorden: elke vertegenwoordiger dient het algemeen belang te behartigen.

Dit laatste laat natuurlijk onverlet dat elke parlementariër een eigen perceptie van het algemeen belang heeft. Elke politicus komt tot zijn eigen afweging van enkelvoudige belangen. Bij deze afweging zijn juist de politieke partijen van grote betekenis. Het gedachtengoed (of de ideologie) van een politieke stroming vormt het kader voor die afweging, dient als integratiekader. De volksvertegenwoordiger verbindt zich met een bepaalde stroming en verschaft zo de informatie aan het electoraat over zijn perceptie van het algemeen belang.

Het hier bedoelde integratiekader is niet statisch. Elke volwassen politieke partij werkt continu aan de ontwikkeling van de ideologie op basis van betrekkelijk constante uitgangspunten. Steeds wordt de operationaliteit van de partijlijn getoetst aan de steeds veranderende omstandigheden en inzichten. Het zijn met name de wetenschappelijke instituten verbonden aan de partijen die hier een belangrijke functie hebben.

Het is van principieel belang te beseffen dat de representatieve democratie in onze tijd gedragen moet worden door beginselpartijen en dat ontwikkelingen die op gespannen voet staan met dit gegeven, moeten worden tegengegaan. Deze stellingname heeft belangrijke consequenties voor het gedrag van politici.

Ten einde de actiegroepen-democratie haar plaats te wijzen in het voortraject van de politieke besluitvorming, dienen politici zich minder ontvankelijk te tonen voor de wilsuitingen van belangengroepen. Burgers weten wanneer zij een bepaald belang direct willen behartigen, dat mobilisatie van gelijkgestemden effectiever is dan het gebruikmaken van het lidmaatschap van een bepaalde politieke partij. Binnen die partij zal namelijk het in het geding zijnde belang worden afgewogen tegen andere belangen. Mensen worden onder die omstandigheden sneller lid van de ANWB, van Greenpeace, van Natuurmonumenten etcetera dan van politieke partijen.

Het gedrag van politici zelf is debet aan deze ontwikkeling. Indien parlementariërs en bewindspersonen de actievoerders zouden verwijzen naar politieke partijen in plaats van zich onmiddellijk ontvankelijk op te stellen, dan neemt het rendement van actievoeren af en daarmee de aantrekkelijkheid van het lidmaatschap van een politieke partij toe.

Ook zouden bewindspersonen actievoerders op de stoep van een ministerie er op moeten wijzen dat de minister zijn politieke gedrag verantwoordt in het parlement en niet op straat of in een vergadering met belangengroepen en actievoerders. Het parlement krijgt zo weer het heft in handen en ook dat leidt uiteindelijk tot een versterking van de positie van politieke partijen.

Nuttig kan het ook zijn als volksvertegenwoordigers bewindspersonen er vaker op wijzen dat de ontmoetingsplaats van regering en volk het parlement is. Dat betekent dat het ongewenst is indien parlementariërs beleidsvoornemens van de minister uit de krant of via een ander medium moeten vernemen. Zo gezien, is het eigenlijk merkwaardig dat de minister-president na de vergadering van de ministerraad in eerste instantie tekst en uitleg geeft aan de parlementaire pers en niet aan het parlement zelf.

Duidelijk is dat het goed functioneren van de representatieve democratie en van het partijwezen twee kanten zijn van dezelfde medaille. Wordt de indirecte democratie verontreinigd met elementen van directe democratie, dan wordt ook de positie van politieke partijen verzwakt. De mogelijkheid tot correctie van wetgeving door referenda verzwakt de positie van het parlement en de politieke partijen, en daarmee bewegen wij ons op een hellend vlak.

Volksvertegenwoordigers die zichzelf en het parlement blijkens het toestaan van elementen van directe democratie niet voldoende serieus nemen, ondergraven hun eigen positie. Politieke partijen die menen dat de afstand tussen de burger en de politiek moet worden beperkt door direct tegemoet te komen aan specifieke belangen, miskennen het belang van een representatieve democratie gericht op belangenafweging. Zo gezien is een grotere afstand tussen politici en de burger gewenst, opdat de politicus het algemeen belang kan behartigen en niet in de verleiding komt om allerlei particuliere belangen te verdedigen.

Hiervóór hebben wij gesteld dat het parlement geen weerspiegeling hoort te zijn van een door belangen gesegmenteerde bevolking. Het idee van een parlement bestaande uit leden elk met een eigen kiesdisctrict (constituency) staat ook op gespannen voet met de uitgangspunten van een representatieve democratie. Het is geen goede zaak indien elke volksvertegenwoordiger een eigen clièntele gaat bedienen. Doorvoering van een districtenstelsel betekent dan ook een verdere ondermijning van de positie van politieke partijen.

Overzien wij het bovenstaande, dan komen wij tot de conclusie dat men op het ministerie van Binnenlandse Zaken meer studie moet maken van de ratio achter de representatieve democratie en de relatie van die democratie met de positie van politieke partijen. Het is beter om op te houden met wetgeving die ons democratisch stelsel verder verontreinigt, dan de consequenties van dit bederf te compenseren door directe partijsubsidies. Politici leveren een bijdrage ter versterking van de politieke partijen door hun eigen positie en die van het parlement weer serieus te nemen en minder tegemoet te komen aan de modieuze roep om een geringere afstand tussen politiek en burger.