Op zoek naar de ware criticus

De Gids, maart 1996. Meulenhoff, 66 blz.ƒ16,90

In oktober 1994 presenteerde de toen net vernieuwde redactie van De Gids een nummer over literatuurkritiek. Daarin stond een hoogst ontoegankelijk stuk van dichter en recensent Marc Reugebrink over Arnold Heumakers en de relatie literatuur-werkelijkheid, en een uiterst kritisch maar slecht gefundeerd stuk van Jos Joosten. “Er is nauwelijks een criticus met een eigen gezicht in de Nederlandse dagbladen. Het is alles zo mediocre. Schouderklopje hier, vingertje daar. Een gemeenplaats links en een cliché rechts. (-) Mijn god, wat een armoe!”, luidde zijn conclusie op grond van drie her en der gerecenseerde romans. Ook Joosten toonde zich speciaal geïnteresseerd in de wederzijdse beïnvloeding van literatuur en werkelijkheid.

De twee hebben elkaar gevonden, want in het maartnummer van De Gids begint een 'kritische correspondentie' tussen hen, waarin ze op zoek gaan naar 'de ware criticus'. Joosten spreekt van een malaise in de kritiek die aanving in november 1977, op de dag dat Kees Fens afscheid nam als literatuurcriticus. Sindsdien: commercialisering, mediatisering en akoïsering in de letteren. Geen recensent beseft volgens Joosten dat hij zich bevindt in een 'ideologisch vacuüm' zonder vaste beginselen en waarden.

Gebrek aan visies en principes leidden tot vrijblijvendheid en een 'recensiebrij' van tweederangs critici; zoals de 'karikatuur van de conservatieve criticus pur sang' Willem Kuipers, de 'meningloze wederverkoper van literaire teksten' Em. Kummer, 'literaire hobbyiste' Elsbeth Etty, of 'P.H. Ritter Jr.' Rob van Erkelens. Reinjan Mulder verwijt hij eenzelfde vrijblijvendheid en gebrek aan verklaarde principes die deze de AKO-jury verweten heeft.

Maar je kunt je afvragen of Joosten wel dezelfde kranten leest als de abonnees. Zo gelooft hij dat Guus Middag alleen nog maar popliedjes bespreekt en dat, in weerwil van de wekelijkse feiten, 'de poëzie in NRC sowieso steeds meer iets lijkt te worden dat één keer per jaar een leuk human interest-artikeltje oplevert'.

Joostens correspondentievriend Reugebrink vindt dat het 'hondsberoerd gesteld is met de huidige literatuurkritiek' maar is het wat de redenen betreft oneens met Joosten. Er bestaan geen opvattingen over literatuur meer, alleen nog journalistieke motieven. Met zijn ervaring als poëziecriticus stelt Reugebrink dat elke recensent klem zit tussen journalistieke mores - de nieuwswaarde staat voorop - en literair-kritische eisen - de verklaarde criteria, de uitgesproken principes waar ook Joosten naar verlangt. Er zijn geen literatuuropvattingen meer, er is geen literair debat meer, maar dat komt doordat de krant snelheid eist, en veelheid. Niks postmoderne vrijblijvendheid en eclecticisme. Door zijn medium is de literatuurcriticus van vandaag veroordeeld tot louter boekhouden: het schrijven van heel veel korte stukjes over heel veel nieuwe boeken.

De krant heeft de kritiek verpest, in de ogen van Reugebrink. Alsof de combinatie krant-kritiek nieuw is. De in de laatste jaren reusachtig toegenomen produktie van de literaire uitgevers, waar nu gelukkig een kentering in lijkt te zijn gekomen, die de aanleiding was tot al die korte en ultrakorte besprekingen, wordt door Reugebrink volledig genegeerd. Dus hoeven we in een volgende aflevering van deze interessante correspondentie van hem ook geen oplossing of nuttig advies te verwachten. Hopelijk komt hij wél terug op de criteria van waaruit critici de literatuur benaderen. Ergens verstopt in zijn betoog over de verfoeide journalistieke motieven heeft hij het in ongunstige zin over de soevereiniteit waarmee literatuurcritici hun oordelen vellen. Hij zal toch niet naar afgesproken of opgelegde criteria verlangen?

Redacteur Huub Beurskens begint in dit maartnummer een rubriek 'Veranderend lezen', waarin hij bestaande dichtregels verbetert, zulks met een expliciete toelichting. Van Judith Herzbergs regel 'De laatste roos van deze zomer staat in November, rose / voor het raam, en maakt dat ik me schaam. Waarom?', maakt hij: 'De laatste zomerroos staat in November, rose, / voor het raam (-).' Onderdeel van deze nieuwe, spannende rubriek is ook een kritiek op een poëziekritiek, ditmaal van Arie van den Bergs bespreking van Neeltje Maria Mins nieuwe bundel Kindsbeen. 'Klassiek en meesterlijk', oordeelde Van den Berg; 'stuntelig levenslied', vindt Beurskens.

Hij vertaalde voor dit nummer tevens prozafragmenten van de Oostenrijkse auteur Josef Winkler, die het onverbiddelijke optreden van de dood in 31 dorpshuizen beschreef in Der Ackermann aus Kärnten (1980). Collega-redacteur Stefan Hertmans vertaalde gedichten van de Waalse André Schmitz waarin al even veel dood heerst als in de huizen van Winkler, en hij schreef zelf 426 (!) versregels op een vis met grote ogen en twee neusgaten die in het Vlaamse nieuws was, de Oxynotus Paradoxus.

De Gids besluit met een tegenaanval op Jaap Goedegebuure, die in HP/De Tijd, 'het meest misbare weekblad van Nederland', beweerde dat de literaire tijdschriften geen reden van bestaan meer hebben. Een makkie voor Huub Beurskens. Hij maakt korte metten met Goedegebuure, waarmee we weer terug zijn bij Joosten en Reugebrink: 'Zijn hele argumentatie komt voort uit zijn acceptatie van en eredienst aan de Tijdgeest. Het feit dat Goedegebuure, die zelf machteloos meegesleurd in de aktualiteitenstroom braaf de nieuwe Hemmerechts of Van der Heijden moet bespreken, zich beklaagt over de redundantie en het niet meer bij de tijd zijn van het literaire tijdschrift, rechtvaardigt op zich al bijna het bestaan van De Gids.'