Kledingindustrie in Bangladesh moet zich snel aanpassen; Miljoenen dragen shirts uitDhaka

Als een der weinige landen mag Bangladesh bijna onbeperkt exporteren naar het Westen. In 2005 vervalt dat privilege echter. Lokale ondernemers zijn in een race met de klok gewikkeld. Intussen worden ze achtervolgd door politieke instabiliteit en stakingen.

DHAKA, 15 MAART. Wanneer een Nederlander, een Duitser of een Fransman tegenwoordig een overhemd aanschaft, is er een goede kans dat dat door analfabete vrouwen in een zweterig fabriekje in Bangladesh is gemaakt. Bangladesh is in korte tijd uitgegroeid tot de belangrijkste leverancier van overhemden en t-shirts van de Europese Unie, terwijl ook miljoenen Amerikanen meestal niets vermoedend rondlopen in keurige overhemden die zijn vervaardigd in Dhaka of Chittagong.

De kledingindustrie is een van de weinige succesverhalen van de laatste jaren in het nog altijd straatarme Bangladesh. Vrijwel uit het niets werd die in de jaren tachtig uit de grond gestampt. Inmiddels zijn er 2300 fabrieken en fabriekjes in het hele land, de meesten in en om de hoofdstad Dhaka en de havenstad Chittagong.

De bedrijfstak biedt werk aan meer dan een miljoen mensen, van wie bijna 90 procent vrouwen. “De werkgevers nemen liever vrouwen”, zegt een sociale werker, die anoniem wil blijven. “Vrouwen zijn meestal volgzaam en rustig ondanks de slechte arbeidsomstandigheden. Ze kunnen ook langer achtereen geconcentreerd doorwerken dan mannen.”

Al enkele jaren geleden verdrong kleding jute als het belangrijkste uitvoerprodukt van Bangladesh. In totaal voert Bangladesh tegenwoordig kleding uit voor meer dan twee miljard dollar per jaar. Bij dat laatste moet overigens worden aangetekend dat de cijfers nogal zijn vertekend. Voor de meeste kleding, die in Bangladesh wordt gemaakt, moeten de grondstoffen, van katoen tot garen en ritssluitingen, worden ingevoerd. De netto bijdrage aan de Bengaalse economie is daardoor geringer dan het exportcijfer suggereert.

Een belangrijke factor bij de opbloei van de kledingindustrie is dat de Europese Unie en Japan aan Bangladesh geen jaarlijks quotum oplegden voor de uitvoer van hun eindprodukten. Ook de VS en Canada waren bereid een forse hoeveelheid Bengaalse kleding ongehinderd het land in te laten. Men hoopte zo het ontstaan van een levensvatbare industrie te bevorderen.

Dankbaar maakten Bengaalse ondernemers gebruik van deze buitenkans, die trouwens ook werd gegeven aan landen als Nepal, Birma en Cambodja. Ook veel buitenlandse bedrijven, die in eigen land werden gehinderd door bescheiden quota of te dure arbeiders, zagen snel in dat Bangladesh een goede route vormde voor uitvoer naar het Westen en verplaatsten daarom hun activiteiten. Sommige gelukzoekers die met wat naaimachines in een schuurtje van start gingen, zijn intussen op de fles, maar voor de beter georganiseerde fabrikanten valt er nog steeds goed geld in de branche te verdienen.

Een prettige bijkomstigheid voor de fabrikanten is het bijna onbeperkte reservoir aan zeer goedkope arbeidskrachten. Voor 600 taka per maand (nog geen 25 gulden) mogen de vrouwen en meisjes eerst een tijd in de fabriek als stagiaire werken en, als het meezit, kan hun salaris daarna oplopen tot ruim 1300 taka in de maand.

Zowel in de fabrieken als in kleine ateliers is ook kinderarbeid, dat wil zeggen werk door kinderen van beneden de veertien, geen uitzondering. Sociale werkers bevestigen echter dat het tegenwoordig, mede onder druk van het Westen, om niet meer dan tien procent van de arbeiders gaat en dat het verschijnsel op zijn retour lijkt.

“Ik kom ook wel eens kinderen tegen in de fabrieken”, zegt Jaap Dijkstra die Europese bedrijven assisteert bij de vervaardiging en invoer van kleding uit Bangladesh. “Dat vind ik niet leuk om te zien. Maar wat moet ik doen? Moet ik zeggen: gooi ze er maar uit. Daar krijgen die kinderen het niet beter van.”

Vakbonden zijn verboden in de kledingindustrie, hoewel er sinds anderhalf jaar wel een organisatie bestaat die voor de belangen van de werknemers opkomt. Niet alleen liggen de lonen van de werknemers zeer laag, ze moeten bovendien zeven dagen achtereen 12 uur lang werken in hete, stoffige vertrekken. Dikwijls zijn er geen toiletten of zelfs maar goed drinkwater beschikbaar. Een paar keer per jaar krijgen de arbeiders enkele dagen vrij en keren ze terug naar de dorpen waar ze meestal vandaan komen.

Bij dit al moet in aanmerking worden genomen dat elders in Bangladesh, ook bij de overheid, de lonen eveneens zeer laag liggen en de arbeidsomstandigheden dikwijls bijzonder slecht zijn.

De kledingindustrie heeft veel welkome werkgelegenheid geschapen en tot een zekere emancipatie van de vrouw bijgedragen. In het conservatieve islamitische Bangladesh worden de vrouwen geacht zo weinig mogelijk buitenshuis te treden, maar door het werk in de fabrieken verdienen ze een eigen loon, zien wat meer van de buitenwereld en worden minder afhankelijk van de mannen in hun familie.

De afgelopen maanden is de produktie van de kledingindustrie zeer nadelig beïnvloed door de politieke instabiliteit in het land. Bijna wekelijks roept oppositieleidster Sheikh Hasina Wajed nationale stakingen uit om premier Khaleda Zia tot aftreden te dwingen. De meeste werknemers nemen dan liever niet het risico om naar hun werk te gaan uit angst door politieke activisten in elkaar te worden geslagen.

“Per stakingsdag verliezen we zeven miljoen dollar”, klaagt Redwan Ahmed, die voorzitter is van de Bengaalse kledingfabrikanten. “Als dat zo doorgaat, is dat rampzalig voor onze bedrijfstak. Elk beschaafd mens begrijpt toch dat er snel een oplossing moet komen, maar die twee leiders blijven weigeren om concessies aan elkaar te doen.”

Dijkstra zegt dat door de talrijke stakingen de produktietijd van de bestelde kleding langer wordt en dat leidt tot complicaties. “Het heeft geen zin om een winterjas in de zomer te leveren”, aldus Dijkstra. “Mijn klanten zeggen dan: die stakingen? Dat is jouw probleem. Houd die jassen maar of stuur ze met het vliegtuig in plaats van met de boot.” Noodgedwongen kiezen sommige exporteurs dan maar voor het veel duurdere vliegtuig.

Intussen ontkomt de Bengaalse kledingbranche er ook niet aan om verder vooruit te kijken. Op grond van de internationale handelsakkoorden, die de bij de GATT (Algemene Overeenkomst over Tarieven en Handel) aangesloten landen in 1994 bereikten, zal aan de bevoorrechte status van Bangladesh in het jaar 2005 een einde komen. Tegen die tijd zal de kledingindustrie van Bangladesh zich op dezelfde voorwaarden moeten meten met de rest van de wereld. “We moeten flink investeren in textiel en andere grondstoffen willen we ons marktaandeel handhaven”, meent Redwan Ahmed. “We moeten onze produktie ook gevarieerder maken.” Dijkstra: “Waarom zou je dan nog in Bangladesh blijven werken? In India en Pakistan zijn de lonen min of meer hetzelfde, terwijl die een grote katoenproduktie van zichzelf hebben.”