In Mostar durft de moslim-Kroatische politie de brug nog niet over; De zelfmoord komt eigenlijk als geroepen

MOSTAR, 15 MAART. Haar nylonkousen zijn afgezakt en een bleke schouder is helemaal bloot. De zon kaatst in een gouden oorbel. Haar tas met papieren van de afdeling neurologie staat nog op de Tito-brug, twee kilometer stroomopwaarts. Zij is zojuist komen aandobberen over de grijsblauwe Neretva, met haar gezicht naar beneden.

De zelfmoord van Mirjana Andric, een geesteszieke vrouw van omstreeks zestig, is een menselijke tragedie die in elke stad van honderdduizend inwoners wel eens voorkomt. Maar patrouille 810 is er blij mee. De twee moslims en twee Kroaten, de eerste leden van een nieuwe gemengde politiemacht in Mostar, kunnen nu voor het eerst bewijzen dat zij niet alleen een symbool zijn, maar ook gewone agenten, die een lijk moeten opvissen en een ambulance bellen en een onderzoek doen naar de toedracht. “Dit is beter dan die zinloze rondjes rijden”, zegt Marko, een Kroatische agent.

Sinds het begin van hun gezamenlijke patrouille, op 20 februari van dit jaar, hebben de agenten nu voor het eerst iets omhanden. Maar daar ging het niet om. Dat Kroaten en moslims na jaren van ruzies en oorlog onder supervisie van de Europese Unie, die de stad sinds 1994 bestuurt, in één politiebusje wilden zitten, was al pure winst. Mostar, waar de platanen geblakerd zijn en waar af en toe nog een koperen patroonhuls rinkelend onder je schoenen wegrolt, is nog lang niet herenigd. Maar als iets de stad daarbij kan helpen, is het wel een gemengde politie, zo is de gedachte.

Het nieuwe korps moet uiteindelijk vierhonderd man omvatten en in de plaats komen van de huidige twee politiemachten, een van de Kroaten, die in het westen van de stad de dienst uitmaken, en een van de moslims, in het gehavende oosten en een smalle strook aan de 'Kroatische' kant van de Neretva. Daar, in een vrijwel verwoeste straat vlak achter de oude frontlijn, wordt de laatste hand gelegd aan het toekomstige hoofdkwartier van de gemengde politie: een fonkelnieuw witgestuct blok tussen de ruïnes.

In de rest van Bosnië-Herzegovina vormen moslims en Kroaten nominaal een federatie. In Mostar, waar Bosnische moslims en Herzegovijnse Kroaten elkaar sinds 1993 bikkelhard hebben bevochten, is daarvan niets te merken. Nog maar weinig inwoners maken gebruik van de regeling die sinds drie weken vrij verkeer tussen de stadsdelen toestaat.

Europese politiefunctionarissen in Mostar glimlachen, zuchten of fluisteren “nooit” als je vraagt wanneer de samenwerking een feit zal zijn. Zij hebben tot nu toe niet meer dan veertig agenten voor het nieuwe korps gerecruteerd: precies voldoende om 24 uur per dag twee gemengde patrouilles door de stad te laten rijden.

Patrouille 810 cirkelt 's ochtends om acht uur in een witte Volkswagen Transporter stapvoets door West- en Oost-Mostar. Achter het stuur zit Reiner Diehl van de snelwegpolitie in Hessen. Op zijn bezwete hoofd staat een kobaltblauw petje van de Westeuropese Unie (WEU), die de nieuwe politiemacht van Mostar op poten moet zetten. Op de achterbanken van het busje zitten Marko uit Mostar-West, Sefir uit Mostar-Oost, Roberto uit Zagreb namens de Republiek Kroatië en Osman van de federale politie uit Sarajevo. Twee 'lokalen', twee 'federalen' en een neutrale WEU-agent - dat is de standaardsamenstelling van de gemengde patrouilles.

De twee moslims dragen twee verschillende groene uniformen, de twee Kroaten twee verschillende blauwe. Diehl heeft gewoon zijn eigen groenwollen diensttrui aan. Allen dragen een pistool op de heup. Sefir mag in het oosten de bevelen geven, Marko in het westen. Maar daarvan maken ze geen gebruik. In de praktijk bepaalt Diehl, die hier geen opsporingsbevoegdheid heeft, waar ze heen gaan. Vandaag wil hij naar de Stari Most, de elegante stenen boogbrug in het oudste deel van de stad die voor de oorlog de voornaamste toeristische trekpleister van Mostar was. Op 9 november 1993 is de brug na een Kroatische voltreffer in de Neretva gestort.

De brug, tussen het oostelijke moslimdeel en de kleine moslim-enclave op de westoever, is niet per auto te bereiken. Daarom verlaat de groep het busje en gaat het te voet verder. Schijnbaar achteloos lopen ze door het smalle straatje naar de Stari Most. Ze hebben geen oog voor de drie mooie meisjes die er koffie drinken in de zon of voor de snuisterijen die de geheel gerenoveerde Boutique Seherazade heeft uitgestald. De agenten zijn zenuwachtig: voor het eerst sinds 20 februari patrouilleren zij buiten het busje. De Kroaat Marko is extra zenuwachtig. Hier, in het moslimdeel van de stad, ging hij voor de oorlog vaak wandelen. Drie jaar is hij hier niet geweest. Nu ziet hij voor het eerst wat de Kroatische granaten hebben vernield.

We bereiken de Neretva, die meer dan tien meter lager tussen de rotsen stroomt. Allen staren door de boogvormige leegte, langs de ijzeren noodbrug, naar het gat in het witte metselwerk aan de overkant waar de brug is afgebroken, als een kies. “Laten we oversteken”, oppert Diehl. De mannen zwijgen, mompelen, kijken en wijzen, schokschouderen en zwijgen weer. Dan spreekt Sefir, de moslim-agent uit Mostar-Oost, het pan-Bosnische eufemisne voor 'nee' uit. Hij zegt: “We kunnen de veiligheid niet garanderen.” De patrouille maakt rechtsomkeert en hervat zijn rondes met het witte busje.

Steve Jordan, chef planning van alle politieoperaties onder WEU-supervisie in Mostar, noemt zichzelf “een naïeve optimist”. “Alleen dan kun je dit werk hier doen”, lacht de superintendent van de West Midland Police. Hij bedoelt eigenlijk hetzelfde als zijn anonieme WEU-collega's in Mostar, die zeggen “heel cynisch” geworden te zijn. Desondanks noemt hij de huidige toestand in Mostar “gunstiger dan verwacht”.

Op de eerste dag van de grensopening tussen Oost- en West-Mostar, 20 februari, molesteerden jonge Kroaten moslims die voor het eerst sinds drie jaar hun 'getto' wilden verlaten. De Kroaten verbrandden een beeld dat EU-burgemeester Hans Koschnick moest voorstellen, en een Kroaat met een Hitlermasker die riep dat “fascisme goed” was haalde de voorpagina's van de wereldpers. Maar sinsdien is het rustig geweest, zegt Jordan.

Hij bestrijdt de claim van de moslims dat de recente moord op een moslimverpleegster aan de westkant een etnische achtergrond had. “Het is heel verleidelijk een gewone misdaad te vereenzelvigen met de nieuwe regeling voor vrij verkeer”, zegt hij.

Het nieuwe gemengde korps komt maar aarzelend van de grond, maar “het is het beste wat we kunnen doen”, zegt Jordan. Veel WEU-agenten maken er geen geheim van dat ze de recruten eigenlijk ongeschikt vinden als agent. De ouderen onder hen zijn misschien wel agent geweest in voormalig Joegoslavië, maar hun kennis en ervaring is achterhaald. De jongeren hebben gewoonlijk geen enkele politietraining gehad, maar zijn soldaten die hun uniform hebben verwisseld. Het is bovendien sterk de vraag of hun etnische haatgevoelens wel zijn gesleten. “Hoe langer we ze bij elkaar houden, hoe groter de kans dat het op den duur misschien iets wordt met Mostar”, zegt Jordan.

Marko, de agent uit Mostar-West, werkte voor de oorlog bij de spoorwegen en in de oorlog was hij soldaat. Hij is blij met zijn nieuwe baan. “Er is hier toch nauwelijks werk”, zegt hij. Sefir, zijn collega uit 'Oost', valt hem bij, blij met een onderwerp voor een gesprek. Want over hun hobby's, het weer en de kwaliteit van de sigaretten zijn ze in het busje al een paar uur uitgepraat. “Ik doe dit werk zo lang als het nodig is, maar als zich iets beters voordoet zal ik niet aarzelen te vertrekken”, zegt hij. “Soldaat zijn is makkelijker dan agent. En zelfs als de (moslim-Kroatische, red.) federatie het houdt, is Mostar een van de smerigste baantjes.”

Dan kraakt de radio: vrouw van Tito-brug gesprongen. Of we maar als de donder stroomafwaarts willen rijden, naar de Hasan-brug, om te kijken of ze uit het water gehaald kan worden. De 810 mag geen zwaailicht en geen sirene voeren, maar dit is een noodgeval. Diehl kijkt naar Sefir, want we zijn in 'Oost'. Die knikt. Met gillende sirenes en met een nog niet eerder vertoonde snelheid raast de VW door de smalle straten. In de stofwolken achter ons staren vrouwen met boodschappentassen, ouden van dagen, kinderen, opgeschoten jongens en moslim-agenten ons verbijsterd na.

De Hasan-brug is er ook niet meer, opgeblazen. Aan twee zijden van de rivier ruimen mannen betonhopen waaruit vlechtijzer steekt. De agenten lopen naar het water. “Daar! Daar!” wordt er geroepen. In de verte tuimelt iets door de stroomversnelling dat nog het meest lijkt op een rol oud tapijt. Daar komt ze. Osman, de federale agent uit Sarajevo, kleedt zich uit. Als het lijk van Mirjana Andric de Hasan-brug heeft bereikt, springt hij in het ijskoude water en brengt het proestend en spetterend door de stroming aan land. Uitgeput droogt hij zich, zittend op een betonblok. Marko loopt naar hem toe, een sigaret in de hand. “Jij verdient een medaille”, zegt hij.

Op verzoek van sommige betrokkenen zijn hun namen veranderd.