Ik kan de dingen de dingen niet laten; Gesprek met beeldhouwer Guido Geelen

Op een beeld van Guido Geelen scharrelt een varken op de kam van een gitaar en graast een koe op een wasmachine. Al deze voorwerpen zijn gereproduceerd in klei, die weer bedekt is met een laag kitscherige afbeeldingen. “Als ik geel nodig heb, heb ik geel nodig, of dat geel nu toevallig de vorm heeft van een vis of van een vlinder”, zegt Geelen, die exposeert in Tilburg.

Guido Geelen. De Pont, Wilhelminapark 1, Tilburg. T/m 30 juni. Di t/m zo 11-17u. Catalogus (verschijnt met Pasen) ƒ 25,-.

Soms, als de fruitschaal steeds naast de ingelijste foto blijft staan, als de televisie maar vierkant blijft en de bloemen op de gordijnen van geen seizoenen weten, is het goed om naar Tilburg te gaan. Daar staat sinds 1993 in museum De Pont een rood beeld van Guido Geelen. Het bestaat louter uit de televisietoestellen, fruitschalen en lampen, de computers, stofzuigers en kandelaars die zo standvastig waren. Maar hier zijn ze samengeperst tot een brede muur. Om het nog erger te maken hebben de voorwerpen gezelschap gekregen van beeldjes van honden en andere dieren die op schoorsteenmantels en buffetten hun dagen slijten. Op al deze dingen heeft Geelen juichend wraak genomen. Ze zijn hun vaste vorm kwijt. De televisie is niet vierkant meer, de autoband niet rond, de kop van een hond is geplet en de kandelaars zijn in elkaar gezakt. Het is alsof het hele bestaan in een doos is gepropt en al zijn arrogante standvastigheid heeft verloren.

Geelen heeft dat voor elkaar gekregen door van de voorwerpen een mal te maken en die te vullen met klei. De televisies en honden van natte klei stopte hij vervolgens in een kist en die zette hij in de oven. Zonder titel (R.K. 015) was daarna een muur, rood als dakpan en bloempot, een rechthoek van uit elkaar vallende voorwerpen, die na het bakken evenwel weer dezelfde roerloze aanwezigheid kregen als hun realistische voorouders. Maar de wraak is genomen; het beeld is een bevroren schaterlach.

“Het rode beeld is beeld en sokkel tegelijk,” zegt Guido Geelen (34). “Het is een goede oplossing van een oud beeldhouwkundig probleem: hoe zet je iets neer? De strakke vorm, de muur, houdt de vervormde voorwerpen bij elkaar. Zo ontstaat evenwicht tussen orde en chaos. Ik beschouw het beeld ook als een schilderij, het doet me aan de drip paintings van Jackson Pollock denken. En uiteindelijk heeft het net als een Pollock ondanks de vervormingen een klassieke compositie, opgebouwd uit driehoeken en vierkanten en andere geometrische figuren.”

Toverballen

In en om twee kleine kamers aan weerszijden van het rode beeld heeft Geelen nu zijn eerste overzichtstentoonstelling. De meeste beelden zijn gemaakt van dezelfde ruwe rode klei als het rode beeld. Soms is dat niet meer te zien; dan is de klei bedekt met glanzend, dik glazuur en spiegelend platina. Van een afstand zijn het luxe toverballen, uitgespuugd toen de ene kleur net in de andere overging. Van dichtbij blijkt het glazuur bedekt met afbeeldingen; een barokke buiteling van vlinders en vruchten, vissen en Delfts blauwe schepen, Hollandse wintertafereeltjes of Franse adel in een zoete tuin. Het zijn transfers, plaatjes die de keramische industrie gebruikt om vazen en schalen te versieren. De voorstellingen zijn nu geplakt op boomstammen en boeken, op klompen en Goudse pijpen, die samen op een console liggen. De kitsch is zo op de spits gedreven dat er weer een lach opborrelt, zeker als blijkt dat die gekke uitsteeksels niet zomaar uitsteeksels zijn, maar dieren. Een varken scharrelt op de kam van een gitaar, een koetje graast op een appel, die weer bedrukt is met een druiventros. “Ik kan niet schilderen,” zegt Guido Geelen. “En als ik iemand anders de beelden moet laten bewerken, wordt het te duur. Daarom gebruik ik die plaatjes. Met kitsch heeft dat niets te maken. Ik gebruik ze louter om de kleur. Om de afbeeldingen bekommer ik me niet zo. Als ik geel nodig heb heb ik geel nodig, of dat geel nu toevallig de vorm heeft van een vis of van een vlinder. De wandbeelden zijn varianten op het klassieke stilleven zoals dat in de zeventiende eeuw werd geschilderd.”

Museum De Pont in Tilburg was vroeger een textielfabriek. Guido Geelen - grote ogen, grote oren - woont in dezelfde stad in een voormalige kapel. De hoge ruimte is vooral met licht gevuld. In een hoek staan op een paar pallets tientallen gipsen mallen. Hij pakt een mal van een hoed. “Je zou die natuurlijk ook gewoon zo tentoon kunnen stellen, of een combinatie kunnen maken van een paar bestaande voorwerpen, zoals veel kunstenaars tegenwoordig doen. Maar dat is mij te mager. Ik wil ingrijpen, ik kan de dingen de dingen niet laten.”

Geelen kwam naar Tilburg om de lerarenopleiding aan de Tehatex (tekenen, handvaardigheid, textiele werkvormen) te volgen. Leraar is hij nooit geworden. “Ik vervul nu wel gastdocentschappen op kunstacademies. Maar leraar zijn past niet bij het kunstenaarschap. Een vaste baan, een hypotheek. Een kunstenaar moet risico's kunnen nemen. Op een academie ben je voor je het weet een lesboer. Op de Nederlandse kunstacademies hangt dan ook een muffe sfeer.

“Ik heb vaak een of twee stagiaires in huis, studenten van de academies in Den Bosch of Kampen. Dat werkt veel beter. Zij doen dan alles wat ik doe, volgens het leerling-meester principe. We eten ook samen, kijken naar films, naar schilderijen. De studenten weten haast niets van hedendaagse kunst. Bij Sigmar Polke geven ze al niet thuis. Achteraf zeggen ze vaak dat die maand bij mij bijna hun hele opleiding is geweest.”

Geelen groeide op in het Limburgse stadje Thorn. Zijn vader was hoefsmid en dreef een dorpswinkel. “Je kon er alles kopen behalve voedsel. Spijkertjes, fietsspullen, servies, kachels en wasmachines. Ik heb eigenlijk altijd beelden gemaakt. Zo reageerde ik op wat ik zag. Als ik een tuin vol tuinkabouters zag, wilde ik er ook een maken. Thorn is bovendien een Maasdorp, er was daar een dakpannenfabriek en een steenfabriek. Daar haalde ik klei en daar mocht ik soms een werkstuk in de grote oven mee laten bakken.”

Wasmachines, steenfabriek: het is verleidelijk Geelens beelden op te laden met zijn jeugd. “Ik werk met de dingen die ik tegenkom, dingen die ik dagelijks om me heen zie. Ze hebben geen speciale betekenis voor me. Een wasmachine kan in elk beeld een andere rol spelen.” Geelen legt het uit aan de hand van de boomstam die een hoofdrol speelt in de recente serie uitbundige wandbeelden. Op een console ligt steeds een stuk boomstam, gecombineerd met een paar andere voorwerpen. “Als er boeken bij liggen denk je aan papier, dat van hout gemaakt wordt,” zegt Geelen. “Ligt er fruit bij, dan is de boomstam al snel een appelboom, en bij een autoband kun je een ongeluk verzinnen; een auto is tegen een boom gereden.” Maar er is meer, zegt Geelen. “De wandbeelden zijn een optelsom van verschillende momenten. Je kunt er niet op scherp stellen, steeds moet je in- en uitzoomen. Als je naar een van de koetjes kijkt, wordt de boomstam een enorme rots, je vergeet de schaal. Maar de boomstam heeft ook een ruimtelijke maat en dan lijkt de koe weer absurd klein. En is het wel een koe? Hij heeft geen vacht maar veren, op zijn huid is een vogeltje geplakt.”

Meer nog dan voor het oog maakt Guido Geelen beelden voor de tast. De rode klei oogt zo bros dat je er in wilt knijpen. De geglazuurde wandbeelden vragen om streling; ze glimmen en welven als het binnenste van een oester. Met een vingertop zou elke heuvel gevolgd moeten kunnen worden.

Heisa

In de kapel staat een grote oven. Hij is breed, bijna vierkant “Daar heb ik expres voor gekozen. De meeste keramisten gebruiken een smalle, langwerpige oven. Daarom komen ze nooit van de vaasvorm af.” Geelen koos voor klei omdat het materiaal van zizhzelf weinig betekenis heeft. “Klei is alleen maar aarde, ongevormd. In de beeldende kunst is het niet zo'n bekend materiaal, maar dat is geen reden om er heisa over te maken. Een bloempot is ook van klei en dat vindt niemand raar. Sommige van mijn beelden zijn van klei nauwelijks te maken, zoals de beelden vol gaten. Die boor ik in de natte klei. Als de gaten te dichtbij elkaar zitten, scheurt de wand. Het spannende is dat iedereen meteen kan zien wat ze voorstelllen. Ondanks alle gaten is het toch een kachel of een wasbak.” In weer een andere serie steken uit de gaten bloemen - uit de rug van een hondje, het beeldscherm van een televisie, het hart van een madonna. “In die serie heb ik kleur en vorm van elkaar los willen koppelen,” zegt Geelen. Glas is gesmolten glazuur, daar zijn de vazen waar de bloemen in zitten van gemaakt. De bloemen leveren de kleur. De klei geeft alleen vorm.”

“Er wordt vaak denigrerend over klei gedaan. Terecht, want er wordt van keramiek veel slechte kunst gemaakt. Het werk van keramisten stijgt nooit boven het materiaal uit. Geert Lap is een van de weinige uitzonderingen. Hij is goed omdat hij zijn grenzen kent; hij blijft gewoon vazen maken. Keramisten kennen de wetten van de beeldhouwkunst niet. Een beeld moet iets uitdrukken, het gaat niet om een mooie kleur of een mooie vorm.” Over het Keramisch Werkcentrum in Heusden, dat bekende en onbekende beeldend kunstenaars verleidt tot het gebruik van aardewerk, is Geelen evenmin te spreken. “Het centrum is perfect geoutilleerd en Tony Cragg heeft er prachtige dingen gemaakt, maar het uitgangspunt deugt niet. Je gaat beeldhouwers toch ook niet uitnodigen om eens lekker met verf aan de slag te gaan? Materiaal alleen kan nooit een goed kunstwerk opleveren.”

In een apart zaaltje in De Pont staan drie recente beelden van brons, roze brons, nog niet aangetast door lucht en vocht. Een van de beelden, als altijd zonder titel, is bijna doorzichtig. In een staketsel hangen halve beitels, schaven en ander beeldhouwersgereedschap - gereedschap niet voor het maken van een bronzen, maar van een houten beeld. “Het rode beeld is een beeld dat implodeert. Nu wilde ik iets maken dat explodeert. Het maken van bronzen beelden is een eeuwenoude techniek. Het is een wonder dat je daar nog een nieuw beeld mee kunt maken. Het beeld is gegoten in de cire perdue-techniek, waarbij het brons in een gipsen vorm wordt gegoten. Het overtollige brons loopt weg via giet- en luchtkanalen. De bronzen sprieten die dat oplevert worden altijd van het beeld gehaald. Maar ik heb ze laten zitten. Als spinnerag hangt het gereedschap erin.”

Guido Geelen haalt veel overhoop. Beproefde technieken gebruikt hij precies omgekeerd, beelden beschouwt hij als schilderijen, kitsch wordt kleur, en een koe is een vogel. Toch doet het er uiteindelijk niet toe, zegt Geelen. Hij herhaalt het keer op keer. Hij is een klassiek kunstenaar. “Een goed beeld of schilderij tilt je op uit je aardse bestaan. Je vergeet dat je ergens naar staat te kijken. Dat had ik, als zovelen, met de Venus van Botticelli, maar het blijkt ook te kunnen met wasmachines en klei. Dat maakt me gelukkig.”