Honger

'Honger', stond er op het bord. De man die het omhoog hield, liep voor het casino op en neer. Aan zijn arm bungelde een geel emmertje. Zo'n emmertje dat kinderen meenemen naar het strand. Ik gooide er wat kleingeld in. Ik hield mijn plastic zak stevig vast.

“God zegen je”, zei hij.

Toen keek hij in zijn emmertje. Ik was alweer doorgelopen, maar hij kwam achter me aan. “Neem me niet kwalijk”, zei hij, “maar dit is geloof ik van u”. Hij opende zijn hand. Er lag een kogel in. Merkwaardig hoe onschuldig kogels er uit zien. Net iets dat de loodgieter bij zich heeft om je afvoerbuis te rapareren.

“Neem me niet kwalijk”, zei ik en stopte de kogel terug in mijn broekzak.

“God zegen je”, zei de man voor de tweede keer.

Er liepen nog meer mensen rond met precies dezelfde borden waarop 'honger' stond. Waarschijnlijk werden deze borden door de gemeente verstrekt. Ik negeerde ze. Ik was op zoek naar een openbare prullenmand.

Ten slotte vond ik er een naast een leuk bankje waarop drie dames zaten te zonnen. Ik liep een paar keer op en neer langs het bankje, maar uiteindelijk begreep ik dat dit geen goeie prullenmand was. De dames zagen er namelijk uit alsof ze het helemaal niet erg zouden vinden een prullenmand te doorzoeken. Ik besnuffelde nog een paar andere prullenmanden, ging zelfs een McDonalds binnen, maar geen van de prullenmanden voldeed aan mijn eisen. Het enige wat ik hoefde te doen was de plastic zak in een prullenmand gooien, maar het lukte steeds maar niet. Ik was bang dat mensen geheel onschuldig de prullenmand zouden doorzoeken, en net als de bedelaar, achter me aan zouden komen rennen en zouden zeggen: “Dit is geloof ik van u.”

Na twee uur ging ik terug naar mijn hotel. Aan de bar bestelde ik een cocktail, waarvoor ik moest betalen, omdat ik niet gokte. Ook moest ik mijn paspoort laten zien wegens vermeende minderjarigheid. De plastic zak had ik op de bar gelegd, zodat ik hem niet uit het oog zou verliezen. “Ben jij dit?” vroeg de barkeeper en wees op de foto in mijn paspoort.

Toen zag ik Mariëtte. Ze droeg een groen hoedje en stond geconcentreerd achter een eenarmige bandiet.

Het zou te veel tijd kosten uit te leggen wie Mariëtte is. Ik wil alleen dit zeggen. Als God op een ezeltje door de straten van Las Vegas had gereden en had geroepen “Wij gaan Jeruzalem bevrijden”, had mij dat minder verbaasd dan Mariette hier achter een eenarmige bandiet aan te treffen met een groen hoedje op.

Ik voelde een enorme hoofdpijn op komen zetten. In mijn linkerbroekzak zocht ik naar een aspirine die ik daar de laatste tijd altijd heb zitten, maar toen ik weer een kogel in mijn hand had, hield ik maar met dat zoeken op.

Ik liep langzaam naar de eenarmige bandiet. In mijn ene hand hield ik mijn glas, in de ander de plastic tas.

Ze zag me niet dichterbij komen of wilde me niet zien. Er hing een filtersigaret in haar mond die ze daar maar zelden uithaalde. Ondanks haar groene hoedje was er geen twijfel mogelijk. Zij was dezelfde Mariëtte die mij jaren geleden in het Italiaanse restaurant P. avond aan avond had bediend.

“Hallo”, zei ik.

Ze keek op van haar machine. Een moment fronste ze haar wenkbrauwen. Toen begon ze te lachen. Ik stond naast haar met mijn plastic zak in mijn ene en mijn glas in mijn andere hand. Mensen bleven staan om te kijken wat ik had gedaan om iemand zo aan het lachen te maken, maar met kleine knikjes met mijn hoofd probeerde ik de mensen duidelijk te maken dat ze door moesten lopen.

Ten slotte ging ik naast haar zitten. Ik stopte een dollar in een machine om het er wat onschuldiger uit te laten zien.

“Wat doe jij hier?”, vroeg ik.

Ik begreep wel dat dit een onbenullige vraag was, maar ik kon geen betere bedenken.

“Vakantie”, zei ze zonder haar ogen van de machine af te houden. “En jij?”

“Ik zoek een vriend”, zei ik, wat de waarheid was.

De machine begon geluiden te maken. Het teken dat ze iets gewonnen had. Ze draaide zich naar mij om. “Wat heb je toch in die plastic zak, je houdt het vast alsof er een drol in zit.”

“Ik heb per ongeluk een wapen gekocht”, fluisterde ik in haar oor, “daar moet ik nu van af.”

Opnieuw begon ze te lachen. Er vielen nog steeds munten uit de eenarmige bandiet.

Ze laadde de munten in een plastic bekertje en liep naar de volgende machine. “Wat een toeval”, riep ik een paar keer, “wat een toeval.” Daar reageerde ze niet op.

Ik durfde niet te vragen waar ze dat groene hoedje vandaan had. Misschien was het een cadeau van een geliefde.

“Luister”, zei ze en zette een zonnebril op. “Als ik speel wil ik met rust gelaten worden, maar als je vanavond om tien uur bij die bar bent, zal ik er ook zijn.”

“Dat is goed”, zei ik. “Ze kennen me hier onder de naam De Kakkerlak.” Weer lachte ze, maar dit keer wachtte ik niet af tot ze was uitgelachen. Ik liep naar buiten. De meeste mensen met borden waarop 'honger' stond, waren verdwenen, alleen de allerhongerigsten stonden er nog. In de eerste de beste prullenmand die ik tegenkwam liet ik mijn plastic zak vallen. Ook de kogels haalde ik uit mijn broekzak, alleen eentje bewaarde ik als souvenir.

Toen ik weer in het hotel was zag ik het groene hoedje van Mariette nergens meer.

Wel hoorde ik iemand roepen: “vriend, vriend”. Het was de barkeeper. Hij had mijn paspoort in zijn hand en zwaaide er mee.