Het kwaad is weer onder ons; De zelfgenoegzame erkenning van een oerkracht

In de christelijke wereld wordt het kwaad beschouwd als een ondermijnende factor in Gods schepping. Onder invloed van de moderne wetenschap werd deze notie van het kwaad ontmaskerd. Maar het kwaad als geheimzinnige oerkracht maakt weer opgang. “We zijn tot het slechte geneigd en we weten dat we allemaal onherroepelijk fout zullen zijn in de volgende oorlog - en we zeggen dat ook voortdurend tegen elkaar.”

Dit is een bekorte versie van een lezing in de de reeks 'Het Taboe van...', georganiseerd door de Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.

'In het binnenland zult u ongetwijfeld meneer Kurtz ontmoeten.' Een even achteloos als omineus zinnetje; Marlow, de verteller in Heart of Darkness, de novelle waarmee Joseph Conrad onze eeuw liet beginnen, krijgt op eenderde van het verhaal en halverwege zijn reis naar het hart van donker Afrika, voor het eerst de naam te horen van de man die vanaf dat moment zijn gedachten zal beheersen. 'Hij was niets anders dan een woord voor mij,' zegt Marlow tegen zijn toehoorders die in stilte luisteren naar zijn relaas. 'Ik zag de man in de naam net zomin als jullie dat doen.'

Samen met Marlow komt de lezer van Heart of Darkness langzaam maar zeker nader tot Kurtz. De mannen die Marlow op zijn boottocht over de Kongo vergezellen maken duistere toespelingen op hem. Kurtz is een ivoorhandelaar die heer en meester is van het zogenaamde Inner Station, dat stroomopwaarts verborgen in de wildernis ligt. We krijgen verhalen over hem te horen - steeds geheimzinniger, steeds afschuwelijker. Er wordt Kurtz een geweldige positie in de Handelsmaatschappij voorspeld. Kurtz heeft de binnenlanden afgestroopt op zoek naar ivoor. Kurtz blijkt gevraagd te zijn door het Internationale Genootschap ter Onderdrukking van Barbaarse Praktijken een 'leidraad voor toekomstig beleid' te geven.

'Hij had tijd gevonden voor zeventien dichtbeschreven bladzijden!' vertelt Marlow. 'Maar dat moet geweest zijn vóór zijn - laten we zeggen - zenuwen het begaven en hem ertoe brachten een hoofdrol te spelen in zekere middernachtelijke dansen die eindigden in gruwelijke riten, allemaal - voor zover ik met tegenzin kon opmaken uit wat ik bij verschillende gelegenheden vernam - aan hem opgedragen - begrijpen jullie - aan meneer Kurtz in eigen persoon. Maar het was een prachtig stuk.' In dat prachtige stuk, bevlogen en vol gloedvolle retoriek over de weldadige, beschavende invloed die de blanke kolonisten in Afrika kunnen uitoefenen, stond geen enkele praktische aanbeveling, '...tenzij een soort voetnoot onder aan de laatste pagina, die duidelijk veel later in onzeker handschrift was neergekrabbeld, als de uiteenzetting van een methode kan worden opgevat. Deze was heel eenvoudig en aan het eind van dat ontroerende appel aan ieders altruïstisch gevoel vlamde het gloedvol en angstaanjagend op, als een bliksemschicht bij heldere hemel: 'Uitroeien die beesten!' '

Kurtz blijkt allesbehalve verlicht, maar van binnen uitgehold - zijn hart heeft zich gevuld met duisternis. Hij vertegenwoordigt Conrads idee van de mens die wanneer hij aan zichzelf wordt overgeleverd, wanneer hij los komt te staan van zijn sociale context, geen weerstand kan bieden aan zijn oerdriften. Zijn rapport blijkt eveneens hol, vol woorden die weggevaagd worden door de driften die binnenin hem huizen. Aan het einde van Heart of Darkness, vlak voordat de doodzieke Kurtz zijn laatste adem uitblaast, werpt hij een blik in de afgrond van zijn ziel, wat hem zijn beruchte schreeuw doet slaken, 'een schreeuw die niet meer was dan een ademtocht': 'The horror! The horror!'

Wie is Kurtz? Wat is Kurtz? De lezer van Heart of Darkness krijgt hem nauwelijks te zien. Wat zich aan het eind van de novelle aftekent, zijn eigenlijk alleen de contouren van een personage. Via Marlow horen we wat hij gedaan heeft, in korte, vaak cryptische zinsflarden, maar tot het einde blijven we op een grote afstand van hem. De duisternis binnenin Kurtz, 'the horror', laat Conrad grotendeels aan onze verbeeldingskracht over. Het meest concreet is de glimp die Marlow van grote afstand door een verrekijker opvangt van gespieste hoofden op de palen voor de woning van Kurtz. Maar wat die hoofden daar doen, hoe ze daar gekomen zijn, dat komen we niet weten.

Nog steeds geldt de figuur Kurtz bij uitstek als de verbeelding van het moderne kwaad; een soort symbolische preview van de groteske verschrikkingen die de wereld na 1900 nog te wachten stonden. Kurtz heeft zich al lang geleden losgemaakt van het papier en zich op een onbehaaglijke manier in ons bewustzijn genesteld en zijn laatste woorden echoën nog altijd in ons hoofd. Geen wonder dus dat het Francis Ford Coppola niet veel moeite kostte mister Kurtz in kolonel Kurtz te veranderen en hem in zijn film Apocalypse Now over te plaatsen naar de jungle van Vietnam in de jaren zeventig. Ook is het niet moeilijk om Kurtz als een literaire voorloper van de incarnatie van het reeële twintigste-eeuwse kwaad te zien, van Hitler - zijn duister charisma, zijn opgeblazen welsprekendheid, de schijnobjectiviteit van zijn redeneringen en de krankzinnige vernietingsdrang die daaronder schuil gaat. Terugkijkend blijkt het beeld dat je van het Adelaarsnest hebt verontrustend veel op Kurtz' Inner Station te lijken.

Maar Kurtz is een personage in een novelle, een personage bovendien dat zich op het breukvlak van twee eeuwen bevindt. Hij heeft zijn schaduw ver vooruitgeworpen, maar hij maakt zelf ook deel uit van een traditie, namelijk die van de verbeelding van het kwaad. Kurtz wordt in Heart of Darkness voorgesteld als een demonische figuur, schimmig en ongrijpbaar, het middelpunt van nachtelijke rituelen en het voorwerp van aanbidding. 'Hij bezat de kracht,' vertelt Marlow, 'primitieve zielen zo te betoveren of bang te maken dat ze ter ere van hem dansen uitvoerden die erger waren dan een heksensabbat.' Steeds weer maakt Marlow toespelingen op de duivelse kracht die de verbintenis van Kurz met de chaotische wildernis in hem heeft doen ontwaken. 'De wildernis had hem over zijn bol geaaid en ziet, hij was kaal als een bal - een ivoren bal. Ze had hem geliefkoosd en - kijk! - hij was verschrompeld. Ze had hem veroverd, liefgehad, omhelsd, was in zijn bloed gaan zitten, had zijn vlees weggegeten en zijn ziel met de hare verbonden door de ondenkbare ceremoniën van een of andere duivelse initiatie.'

Het verschil met het traditionele verzoekingsverhaal is dat Kurtz zijn ziel niet aan de Duivel verkoopt, maar zelf een duivel wordt - door zich over te geven aan de duistere krachten van de wildernis. Conrad gebruikt het beeld van de fatale omhelzing, de vampierachtige liefkozing. Kurtz laat zich overmeesteren en bezitten door de wildernis als door een vuige verleidster. Ver van de westerse beschaving op zichzelf teruggeworpen, wordt zijn gebrek aan zelfbeheersing - Conrad gebruikt steeds opnieuw het woord restraint - hem fataal.

In Heart of Darkness wordt de mens omringd door het kwaad als door een ondoordringbare, onverweldigende, primitieve duisternis; alleen degene die over voldoende innerlijke kracht bezit is in staat er weerstand tegen te bieden. Aan de beelden die Conrad gebruikt, kun je zien dat hij schreef aan de vooravond van onze eeuw: het kwaad bevindt zich niet helemaal buiten de mens, maar het is ook nog niet helemaal verinnerlijkt. Het is een macht die vanaf het allereerste begin in de wereld aanwezig is geweest, onzichtbaar en ondefinieerbaar, een primaire, primitieve kracht, die zich niets aantrekt van westerse ideeën van verlichting en vooruitgang.

Wie de geschiedenis van het kwaad traceert, ziet waar Conrad staat: tussen vroeger en nu in. In een christelijke wereld was het kwaad een ondermijnende kracht in Gods schepping, een metafysisch begrip dat voorstelbaar was in een herkenbare vorm, namelijk die van de Duivel en zijn demonen. De moderne wetenschap heeft geprobeerd een einde te maken aan de westerse notie van het kwaad; ons handelen wordt bepaald door sociale en psychologische en sinds kort ook weer biologische factoren, en door niets anders. Moraal is geen gegeven, geen aangeboren eigenschap, geen onveranderlijke steunpilaar van ons denken en handelen, maar afhankelijk van omgeving waarin we leven, de manier waarop onze ouders ons hebben opgevoed en in welke omstandigheden. Agressie en vernietigingsdrang komen niet van bovenaf, maar van binnenuit.

Voor een besef van het kwaad is in dit rationeel-wetenschappelijk wereldbeeld geen plaats. Het idee van het kwaad als zodanig is ontmaskerd als beeldspraak, een produkt van onze verbeelding. Wie het woord in de mond durfde te nemen, werd tot voor kort door verlicht denkenden beschouwd als bevangen door religieuze romantiek of door een bedenkelijk soort moralisme; gedrag dat meestal leidde tot veroordeling en maatschappelijke uitstoting van de Ander. Het kwaad, dat is ons ons hele moderne leven lang van alle kanten ingepeperd, bestaat niet.

Maar wat blijkt: het licht heeft de duisternis niet verdreven. De duivel zelf mag zijn bijgezet in het museum van onze geest, maar dat wil niet zeggen dat het levend besef van het kwaad uit ons hoofd is verdwenen. In de donkere regionen van onze verbeelding, woekeren de oude, christelijke noties van goed en kwaad voort, alsof Marx en Freud helemaal nooit bestaan hebben. Het springlevende genre van de horror, boeken en films, probeert steeds weer te laten zien wat Kurtz zag toen hij een laatste blik in zichzelf wierp en zijn fluisterende kreet slaakte. Net zoals de notie van vampirisme niet verdween toen graaf Dracula een schertsfiguur voor feestjes en partijen werd, zo blijkt ook de duivel als symbool voor het kwaad steeds weer nieuwe gedaanten aan te kunnen nemen.

En dat gebeurt heus niet alleen in een genre dat zich zo hartstochtelijk bezighoudt met het verbeelden van onze afschuwelijkste angsten en verlangens als de horror. De heftige vorm van het melodrama dat als geen ander literair genre handelde over de eeuwige strijd tussen herkenbaar goed en het zuivere kwaad, leeft van dag tot dag, of liever, van uur tot uur, voort op onze televisieschermen: als de soap. Altijd duikt er, vooral in Amerikaanse soapseries, een personage op dat het absolute kwaad vertegenwoordigt, de pure, bijna bovenmenselijke slechtheid - hij liegt en bedriegt, pikt geliefden van de goeden af, probeert oude vrouwen te vergiftigen om hun geld, gooit met zoutzuur en snijdt remkabels door, voortgedreven door niets anders dan de drang om kwaad te doen. Wanneer zo'n in-en-in-slecht personage na verloop van tijd door gewenning of door de talloze slaloms in de intrige toch blijkt te beschikken over zoiets als herkenbaar menselijke eigenschappen, kan hij het zuivere kwaad niet langer verbeelden; hij of zij blijkt zelf het slachtoffer van een heel gemene moeder of sadistische oom, achter hun monumentale wraakzucht blijkt een heel klein hartje schuil te gaan. Wat je dan ziet: op het moment dat het Boze Personage menselijke trekjes begint te vertonen, wordt een nieuwe man of vrouw in de serie geïntroduceerd, die hem of haar in zuivere slechtheid lijkt te overtreffen. Totdat ook dat personage op zijn beurt, enzovoort.

Een tijdlang heeft het kunnen lijken alsof de wereld van onze verbeelding streng gescheiden was van onze nadrukkelijk rationele, positivistische kijk op de werkelijkheid. Voor een levend besef van het kwaad in de wereld, was geen plaats meer, simpelweg omdat de metafysische of morele context niet langer aanwezig was. De duivels en demonen van het christendom leken verdreven naar de wereld van het amusement, de vrije sector van onze geest; wat ons overbleef om de uitwassen van het menselijke gedrag in kaart te brengen en te bestrijden, was de psychiatrie en sociale hervorming.

Dat de mens niet van nature rationeel en positivistisch ingesteld, bleek al snel: geen grotere discrepantie dan die tussen de heilsverwachting van de vooruitgang en de holocaust. Wat de gruwelijke krabbel van Kurtz was voor zijn rapport voor het Internationale Genootschap ter Onderdrukking van Barbaarse Praktijken, is Auschwitz voor de rationele wereldbeschouwing geweest. Geen wonder dat er om Auschwitz, die in laatste instantie ongrijpbare en onverklaarbare uiting van het kwaad, heel lang een hoog hek heeft gestaan met een groot bord waarop Verboden Toegang stond, als iets dat zich niet liet verklaren door een taal waarin geen plaats was voor het diabolische. Over de holocaust kon men niet praten in woorden die de omvang van de verschrikkingen recht deden, dus kon men er beter over zwijgen. Een gebod met de kracht van een taboe. Dat gebod is inmiddels geslecht; historici spannen zich tegenwoordig in om van de concentratiekampen geschiedenis te maken, de holocaust te zien als een menselijk fenomeen dat zijn wortels heeft in de menselijke ervaring en in die zin niet uniek is.

Tegelijkertijd steekt, paradoxaal genoeg, maar ook niet helemaal toevallig, ook het kwaad de kop weer op. De pogingen om extreme uitingen van menselijk gedrag een plaats te geven in een niet-religieuze, niet-mythische context, lijken een averechts gevolg te hebben. Tegen sommige extremiteiten die mensen elkaar aandoen, blijkt het menselijk verstand niet opgewassen. De massale slachtingen in Ruanda, de gruwelen van de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, het verhaal van de Amerikaanse seriemoordenaar Jeffrey Dahmer, die zeventien jongens oppikte en vermoordde en zich niet alleen veelvuldig aan hun lijken vergreep maar er ook stukken van opat, al die hedendaagse verschrikkingen hebben dat oude, eigenlijk al bijna afgeschafte woord opnieuw in roulatie gebracht. Het kwaad is weer onder ons.

Plotseling duikt het overal op, dat woord. Nog het meest in het geval van de burgeroorlog in het voormalige Joegoslavië, waaruit menige westerse intellectueel of half-intellectueel of kunstenaar of halve-kunstenaar plotseling allerlei zwarte ideeën destilleert over de neiging van de mens tot het kwade, onafwendbaar en onuitroeibaar. Wat in Sarajevo gebeurde, kon je in de media horen en lezen, was eerder de regel dan de uitzondering: het was een natuurlijk fenomeen en je kon er maar beter je schouders over ophalen, zoals bijvoorbeeld W.L. Brugsma deed. Dat het figuurlijk gesproken bij ons om de hoek gebeurde, was een teken aan de wand voor de zogenaamde Europese beschaving: Sarajevo is nog net niet Amsterdam, maar dat dit zo was, mag meer een kwestie van geluk heten dan van wijsheid.

Het kwaad als geheimzinnige oerkracht wordt door ons plotseling weer als zodanig herkend. Maar anders dan vroeger wijzen we met onze vinger niet naar de Ander, de traditionele zondebok, maar naar onszelf. Het kwaad in onszelf, kopte het weekblad Elsevier enkele weken geleden bijna opgewekt op het omslag, met als ondertitel Waarom we allemaal tot het kwade geneigd zijn. Er stond een portretfoto van een knappe jongen bij, met een horentje rechts op zijn hoofd en een roodgekleurd oog wat zijn - en ipso facto onze - diabolische gespletenheid moest suggereren. In het bijgaande artikel had de auteur een aantal hedendaagse verschrikkingen bijeengegrabbeld om de duistere kant van de menselijke ziel te onderstrepen. We zijn het ons allemaal bewust: de psychologie heeft ons geleerd dat de oorzaak van alles wat we doen diep in onze psyche begraven ligt, en daaraan wordt nu van alle kanten een duistere dimensie toegevoegd waar de therapeut geen greep op heeft, ons reptielenbrein, de bron van het verradelijke kwaad diep in onszelf.

Die vreemde mengeling van psychologie en demonologie zie je meer: de jonge Amerikaanse acteur Johnny Depp, bijvoorbeeld, verklaart in interviews zijn hang naar alcohol en drugs als volgt: I spent years getting loaded to escape. But I never escaped, not once. I've got my demons, you know, and alcohol or drugs can unleash these demons or open up the doors for those demons to fly around.'

Johnny Depp is niet de enige. 'Allemaal heb je wel je zwarte kant,' filosofeert actrice Dianne Krijnen in het weekblad HP-De Tijd van 2 februari jongstleden, naar aanleiding van een voorstelling door theatergroep ONS over de beruchte lustmoord op het Tilburgse meisje Marietje Kessels, die in 1900 plaatsvond en die waarschijnlijk door een plaatselijke pastoor gepleegd werd. De schrijver van het toneelstuk, die Pietjan Dusée heet, werkt die gedachte verder uit: 'Voor mij behandelt het stuk de afstand tussen gedachte en daad. Daar vallen we ook het publiek mee lastig: 'Dames en heren, hoe ver gaat u eigenlijk?' ' Krijnen: 'We hebben er niet zonder meer een zwaar stuk van gemaakt. Er zijn wel momenten die hard kunnen aankomen. Zo gebruiken we een brief uit een correspondentie van pedofielen, die een van ons bij toeval ergens vond en waarin wordt beschreven hoe iemand een kind van tien jaar verkracht. Schokkend naar. Anderzijds gaan we ook grappen niet uit de weg.Humor geeft je de ruimte een zwaar onderwerp lichter te maken.' Schokkend naar, inderdaad. Ik ben reuze benieuwd naar de grappen in deze voorstelling.

Voor de goede orde: hier worden we met z'n allen aangesproken als potentiële pedofiele lustmoordenaars, op een toon van, draai er maar niet om heen, als je de kans kreeg zou je hetzelfde doen. We hebben immers allemaal onze zwarte kant, nietwaar? Het is die lichtvaardige toon waarop tegenwoordig over het kwaad wordt gesproken die mij ergert - die ik ook gevaarlijk vind. Het is die laffe gemakzucht waarmee plotseling alle morele dilemma's en existentiële kwesties worden afgedaan met de dooddoener dat beschaving maar een dun laagje vernis is en dat je maar even met je vingers hoeft te knippen en de Mr Kurtz in onszelf steekt zijn kop op. We zijn tot het slechte geneigd, en anders dan de mensen vóór ons geloofden, weten wij nu al dat we allemaal onherroepelijk fout zullen zijn in de volgende oorlog - en we zeggen dat ook voortdurend tegen elkaar.

Nu lijkt het alsof ik mezelf tegenspreek. Want was het niet Joseph Conrad die beschreef hoe dun de scheidslijn tussen goed en kwaad was, hoe gemakkelijk een mens met hoge idealen tot een ongeremde beestachtigheid vervalt? En hem heb ik toch zojuist geprezen vanwege zijn besef van het kwaad in de mens?

Jawel, maar Conrad houdt zorgvuldig afstand van Kurtz. Dat doet hij door middel van het vertelperspectief dat hij in Heart of Darkness gebruikt. Wat we over Kurtz horen en wat we van hem zien, komt tot ons via Marlow, die het weer aan een groepje toehoorders op een boot op de Theems verteld, waaronder zich een naamloze verteller bevindt, die het op zijn beurt zogenaamd voor ons lezers noteert. Het kwaad waarin Kurtz vervalt, blijft in laatste instantie ongrijpbaar en zelfs grotendeels onzichtbaar. We krijgen niet de beelden voorgeschoteld die we tegenwoordig iedere dag in de krant zien, de beelden die ons murw gemaakt hebben: stapels anonieme lijken, uiteengereten lichamen, opengesperde monden van wanhopige slachtoffers.

Conrad toont een op het eerste gezicht vreemd soort respect voor Kurtz. Marlow ziet hem als de nachtmerrie die hijzelf gekozen heeft, en hij besluit die nachtmerrie helemaal tot aan het einde uit te leven, tot aan de dood van Kurtz op de terugweg. Marlow zit aan het sterfbed van de broodmagere Kurtz en ziet hoe Kurtz worstelt met zijn eigen ziel: 'De schim van de oorspronkelijke Kurtz zat vaak aan het bed van de holle imitatie, die gedoemd was straks begraven te worden in de humus van een oeroude aarde. Maar zowel de diabolische liefde als de bovennatuurlijke haat die voortsproten uit de geheimen die hij had doorgrond, vochten om het bezit van deze ziel, die verzadigd was van primitieve emoties, die begeerlijk was naar bedrieglijke roem, naar valse eerbewijzen, naar alle uiterlijke verschijningsvormen van succes en macht.'

De kreet die Kurtz vlak daarna slaakt, is een soort laatste oordeel over zichzelf. Marlow is 'trouw' aan Kurtz, omdat Kurtz in laatste instantie de verantwoordelijkheid voor zijn daden aanvaardt, anders dan de kolonisten die Marlow op weg naar het Inner Station ontmoet heeft en die zich laf en zonder na te denken dienstig maken aan het koloniaal bedrijf. De schrijver Conrad heeft 'het kwaad' ontdaan van zijn christelijke, metafysische betekenis, maar hij ziet het wel degelijk als een kwalijke ontsporing, die bestraft wordt met een soort van verdoemenis. De ooggetuige Marlow neemt zijn kennis van de verschrikkingen mee terug naar Europa, maar wanneer hij Kurtz' verloofde ontmoet, behoedt hij haar: hij liegt tegen haar als ze hem snikkend naar Kurtz' laatste woorden vraagt en antwoordt: 'Het laatste woord dat hij uitbracht was - uw naam.'

Met andere woorden, Marlow heeft de gruwelen gezien waartoe de mens in staat is, maar gebruikt die kennis niet om de waarde van de beschaving in twijfel te trekken. Integendeel, Conrad was zich er als weinig andere schrijvers van bewust dat er iets destructiefs in de menselijke geest is dat het verstand te boven gaat, wat ik hier maar het kwaad noem (zelf gebruikt Conrad het woord niet, zijn woord is duisternis). Hij wordt daardoor gefascineerd, hij laat zijn personages erdoor gefascineerd raken, maar hij dweept er niet mee. Marlow herkent het kwaad, hij identificeert zich er niet mee. Tegenover de duisternis stelt hij wel degelijk de noodzaak van een streven naar het goede. Kurtz' afgrijselijke teloorgang gebruikt hij niet als een excuus om zijn eigen morele wankelmoedigheid goed te praten. Dat Kurtz menselijk is in zijn slechtheid, maakt hem voor Marlow - en voor Conrad en voor mij - niet beter dan hij is.

Dat is het verschil met de voorbeelden uit de actualiteit die ik heb gegeven. Ontdaan van zijn metafysische weerklank en morele omgeving, is het kwaad een rondzwevend woord geworden, een begrip zonder vaste betekenis - inzetbaar wanneer we onze handen willen wassen in onschuld bij gruwelijkheden die we niet kunnen bevatten, of wanneer we onze eigen morele tekortkomingen met de mantel der romantiek willen bedekken. Nu het weer in de mond bestorven ligt van mensen die het gebruiken als alibi voor hun sensatiezucht en een gevaarlijk soort zelfgenoegzaamheid - we hebben nu eenmaal allemaal onze duistere kant - stel ik voor het voorlopig weer uit onze dagelijkse discussies en betogen te weren. Totdat we weer weten wat we bedoelen wanneer we erover spreken.