Het gonst in mijn watten

André Baillon: In de Piepzak (Chalet 1). Vert. Frans Denissen en Hilde Rits. Uitg. Nijgh & Van Ditmar/Dedalus, 160 blz. Prijs ƒ 29,90

Tijdens zijn verblijf op de psychiatrische afdeling van het Parijse ziekenhuis La Salpêtrière in 1923, ontving André Baillon (1875-1932) een eerste blijk van literaire erkenning. In In de Piepzak, zoals het ziekenhuis in de volksmond genoemd werd, vertelt de hoofdpersoon hoe overdonderd hij was toen de beroemde schrijfster Colette hem aan zijn bed een cheque kwam overhandigen behorende bij de Prix de la Renaissance. 'Dat is boffen, maar het overvalt me. Het dringt niet tot me door. Het gonst in mijn watten.'

Veel bezoekers komen er niet voor Jean Martin, de ik-persoon in het boek. Alleen zijn vrouw Claire, die hem, wanneer haar gezicht achter de ruitjes in de deur verschijnt, aan een madonna in haar lijst doet denken. Hij verklaart zijn 'lieve, heilige, zachte en grote Claire' heilig.

Waaraan zij deze lofzang verdient, wordt in dit boek niet helemaal duidelijk. Haar rol beperkt zich tot het fourneren van kaarsen, kool voor een konijn en allerlei lekkernijen waarmee Martin zich populair maakt bij de verpleging en bij zijn lotgenoten. Meer over de achtergrond valt er te lezen in de zes aan dit boek voorafgaande vertalingen van Baillons autobiografische oeuvre (prijzenswaardige onderneming van dezelfde vertalers).

Hoewel de hoofdpersoon van In de Piepzak zich bevindt 'op Voisin', de afdeling voor lichte gevallen, blijkt uit weinig waarom hij gestoorder zou zijn dan degenen die zich buiten de ziekenhuismuren ophouden. Hij beschikt over een loepzuiver observatietalent, dat hem in staat stelt een uniek beeld te schetsen van het reilen en zeilen op de afdeling. De beschrijvingen van zijn medepatiënten en van zijn eigen zieleroerselen zijn van alle tijden en ondanks de ernst van de kwalen, niet gespeend van humor. Zo hebben de ik-persoon en zijn vriend Bornet hun eigen manier om een nieuweling te onderzoeken. Zij nemen hem mee naar hun geheime 'archeologische museum' en als de nieuwkomer enthousiast is over de verzameling konijnenbotjes en zakmespuntjes, is er niets aan de hand. Zo niet, dan is hun diagnose 'mesjogge'. Ze vermoeden dat het dan niet lang zal duren voordat hij met het wagentje naar de echte gekken zal worden afgevoerd.

Hoe vrolijk het boek ook moge voortkabbelen, in feite valt er natuurlijk weinig te lachen. Velen zijn geestelijk uit balans geraakt door wat ze buiten de muren hebben meegemaakt en proberen nu, tussen dwangbuis en lumbaalpunctie, op zijn minst hun uiterlijke evenwicht te hervinden. 'Val ik...val ik niet - tussen de afgrond van de rede aan de rechterkant en die van de waanzin aan de linker-.' Baillon kwam er uiteindelijk niet uit en maakte op 57-jarige leeftijd een einde aan zijn leven. Voor dit boek, geïnspireerd door de periode op de psychiatrische afdeling, geldt in feite wat hijzelf zo mooi schreef over een medepatiënte: 'Ze is een op de grond gevallen potlood. Ze wacht tot iemand het opraapt.'