Gekwetst door een tijdperk; Monika Maron over een erotische obsessie

Monika Maron: Animal triste. Uitg. S. Fischer, 239 blz. Prijs ƒ 50,40

In Kleists treurspel Penthesilea wordt de titelheldin verliefd op een man. Dat is een zware overtreding in de amazonenstaat, waar buitgemaakte krijgers doorgaans slechts de functie hebben de dames via nogal onromantische rituelen van nageslacht te voorzien. 'De god van de liefde had mij overvallen', laat Kleist de amazonenkoningin zeggen, 'maar van twee dingen snel wenste ik er één/ jou te krijgen, of om te komen.'

Dich zu gewinnen, oder umzukommen: die zin van Penthesilea is ook de lijfspreuk van de vertelster in Animal Triste, de nieuwe roman van Monika Maron. Net als Penthesilea negeert de heldin in Marons boek een cultureel gebod door mateloze eisen aan de liefde te stellen. Met het gebruikelijke bed-ritueel waarbij twee lichamen elkaar vluchtig vinden en dan weer elk huns weegs gaan neemt zij geen genoegen. Zij wil haar minnaar met huid en haar. Haar werk, haar man, haar dochter: alles offert zij op voor Franz, haar grote liefde, en van hem verlangt zij eenzelfde radicaliteit.

Maar Franz voelt er niets voor om zijn echtgenote en zijn oude gewoontes weg te gooien in ruil voor een riskant bestaan aan de zijde van een bezetene. Een bezetene die, vastbesloten om van haar leven een 'nooit eindigende, ononderbroken liefdesgeschiedenis' te maken, alles vergeet wat niet in haar kraam te pas komt. Ze vergeet bijvoorbeeld zelfs dat Franz haar op een dag verlaten heeft, voorgoed.

En zo laat het portret van deze vrouw zich lezen als een studie over een erotische obsessie. Helaas gaat Maron in haar onderzoek lang niet zo ver als haar voorloper Heinrich von Kleist. Waar Penthesilea in regelrechte razernij ontsteekt, zit de vertelster van Monika Maron daar alleen maar over te fantaseren. Ze zou de echtgenote van haar minnaar dolgraag willen slaan en bijten, maar dat doet ze niet, ze stelt zich keurig aan haar voor en klaar is kees. En waar Kleist zowel een gevoelslawine als een taallawine ontketent, blijft Marons taal merkwaardig kalm en beheerst.

Penthesilea rijt soms in haar woede de logische woordvolgorde uiteen; dan komt er een taal tevoorschijn die niet meer door haar cultuur bepaald wordt, maar door haar ongeciviliseerde ik. Marons protagoniste daarentegen drukt zich voortdurend in soepel vloeiende zinnen uit die wel mooi zijn, maar niet erg toepasselijk. Ze verraden geen greintje wildheid. Terwijl deze vrouw het toch steeds over haar barbaarse kern heeft, haar 'pure oerinstinct'. Wegens dat instinct voelt ze zich verwant met de brachiosaurus. Duizenden keren heeft zij, een paleontologe, het skelet van deze prehistorische viervoeter in het natuurhistorisch museum bewonderd; ze houdt van het kolossale dier omdat het in zijn tijd een echte Einzelgänger geweest moet zijn. Een wilde, compromisloze Einzelgänger.

In bijna alle romans van Monika Maron (1941) geven de vrouwelijke hoofdpersonen uiteindelijk toe aan hun diep gevoelde behoefte zich uit de maatschappij terug te trekken. Dat besluit wordt voor hen vergemakkelijkt doordat de maatschappij hen hoe dan ook verstoot. Marons vrouwen denken en voelen voor zichzelf, een brutaliteit die hun omgeving niet pikt. En dat maakt hen tevens tragisch: vrij en integer kunnen ze pas zijn wanneer ze zichzelf in een uitzichtloos isolement manoeuvreren. Die gebeurtenis was in Flugasche, een roman uit 1981, nog vrij eenvoudig te volgen omdat je als lezer wist dat de vertelster net als de schrijfster in de DDR woonde.

Dat de vlucht naar binnen voor burgers in een dictatuur soms de enige manier is om rust en vrede te vinden, daarvan getuigen talloze boeken uit de voormalige DDR. Animal triste echter speelt zich niet in de ommuurde DDR af maar in het opengebroken Oost-Duitsland van het jaar 1990. Voor de Oostberlijnse ik-figuur ligt de wereld letterlijk aan haar voeten; eindelijk kan ze voor haar paleontologische onderzoek naar de Verenigde Staten. Maar wat doet ze? Ze kruipt diep weg in haar donkere woning, gekwetst als ze is door haar ontrouwe minnaar, gekwetst als ze is door de tijd waarin ze leven moet.

Want met een handige draai wijt de schrijfster de oorzaak van het mislukken van de liefdesrelatie aan de historische verschillen tussen oost en west. Franz, zo redeneert zij, groeide in West-Duitsland op; toen de Muur viel hoefde hìj niet te veranderen. De ik daarentegen heeft in de DDR de verkeerde liedjes, de verkeerde geschiedenislessen en de verkeerde slogans geleerd; hele delen van haar jeugd zijn onbruikbaar geworden. Ook al behoort de passage waarin zij argeloos de Stalin-hymne aan haar minnaar voorzingt tot een van de mooiste uit het boek, toch maakt Marons argumentatie hier geen geloofwaardige indruk.

Het is toch niet uit gêne om het enthousiasme waarmee die hymne automatisch uit haar strot komt dat de vrouw aan haar verleden sleutelt? Het is haar er toch alleen om te doen zich slechts die dingen te herinneren die met de liefde te maken hebben? Hansi, het vriendje uit haar kinderjaren, wil ze zich wèl herinneren, haar 'aanstootgevend vrouwelijke' moeder niet. De scheidslijn in haar geheugen trekt zich, kortom, niets aan van de grenzen tussen oost en west: in de tijd dat de DDR nog niet bestond, was die moeder immers minstens even aanstootgevend vrouwelijk als in de veertig jaar daarna.

Nee, de door de auteur gesuggereerde overeenkomst tussen de politieke omwentelingen in Duitsland en de persoonlijke omwentelingen in het leven van Marons romanheldin klopt niet helemaal. En de kritiek van Monika Maron op de DDR en Duitsland in het algemeen is nu niet zo bijtend als in haar vorige boeken. Waarmee ik niet wil zeggen dat Animal triste in zijn geheel minder geslaagd is dan Marons voorlaatste roman Stille Zeile Sechs. Animal triste is meeslepender dan dat ietwat dorre verhaal over een oude partijfunctionaris in de DDR misschien omdat het in het eerste geval om een liefdesverhaal gaat en in het tweede geval niet. Maar Flugasche was een politiek verhaal èn een liefdesgeschiedenis, en dat was haar beste roman tot nu toe.

De taal van Flugasche klinkt net zo heftig als die van Kleists Penthesilea. Zo had Animal triste ook moeten klinken: zo teder en toch zo fel.