Europa dient heksenkring te verbreken

Europa in theorie en praktijk. De theorie komt na het startschot deze maand in Turijn ruimschoots aan bod in de Intergouvernementele Conferentie (IGC) die achtereenvolgens onder Italiaans, Iers en Nederlands voorzitterschap in de loop van volgend jaar een herziening van het Verdrag van Maastricht moet opleveren.

Aan de hand van de ingediende voorstellen is nu al te voorzien dat weer uitgebreid zal worden gebakkeleid over principes als federatief of intergouvernementeel, over de rol van grote en kleine lidstaten, over de functie van de verschillende instellingen en over de vraag wat de beste manier is om besluiten te nemen die uitvoerbaar zijn en nochtans ieder land de mogelijkheid laten directe medewerking achterwege te laten.

Tegelijkertijd zal de praktijk haar eisen stellen. In het bijzonder in Joegoslavië. De voortdurende crisis daar wacht niet tot de Europese Unie haar zaken op orde heeft, over de noodzakelijke besluitvaardigheid beschikt en zich de middelen heeft verworven die haar in staat stellen nieuwe ontsporingen tegen te houden. Als de Verenigde Staten inderdaad de daad bij het woord voegen en hun grondtroepen aan het eind van het jaar uit Bosnië terugtrekken, zal Europa voor de keus komen te staan, eveneens de aftocht te blazen dan wel de taken van de Amerikanen over te nemen. In het eerste geval zou de exercitie in de IGC een wel zeer hoge graad van abstractie bereiken, in het tweede moeten beslissingen worden genomen die voor het intergouvernementele beraad een doorbraak kunnen betekenen.

De laatste tijd doet zich vooral in Frankrijk een verschuiving voor in het strategische denken die moed geeft. De regering voorziet een overstap naar een beroepsleger dat numeriek en naar bewapening en uitrusting in staat moet worden geacht langdurige crises buiten het verdragsgebied het hoofd te bieden. De Britse minister Rifkind heeft onlangs in Parijs in een rede met enige voldoening vastgesteld dat de Fransen de tijdgeest verstaan en zich naar Brits voorbeeld willen voorzien van de militaire middelen om snel maar ook volhardend over de grenzen op te kunnen treden. Hier ontstaat een gelijkgerichtheid die mogelijkheden schept.

Toegepast op Bosnië staat de nieuwe aanpak nog voor onoverkomelijke problemen. De voorgenomen reorganisatie van de Franse strijdkrachten vereist in eerste instantie veel tijd en veel geld. En vanuit die hoek bekeken kan eenvoudig worden vastgesteld dat een spoedig Amerikaans vertrek een vacuüm laat ontstaan dat Europa bij lange na niet kan opvullen. Maar het tekort aan middelen zou kunnen worden goedgemaakt door het tonen van een politieke besluitvaardigheid die partijen in Bosnië ervan zou overtuigen dat de Europeanen dit keer niet met zich laten sollen en zich niet meer wilen verschuilen achter zoiets als weinig verplichtend VN-blauw.

Waar in de IGC nog heel wat zal worden afgekibbeld over de relatie tussen de Europese landen en de NAVO, die tussen de West-Europese Unie en de Europese Unie en over de wijze waarop een 'coalition of the willing' al dan niet totstandkomt, zou in de praktijk van Bosnië een praktische benadering alle betrokkenen veel ellende kunnen besparen. Zo zou een voortgezette stationering van Europese grondtroepen binnen de NAVO-opzet moeten blijven. Daarmee zou Amerikaanse ondersteuning op allerlei gebied kunnen worden veiliggesteld en tegelijkertijd zou de lang gekoesterde idee van een zelfstandig Europees optreden binnen Atlantisch verband aan de werkelijkheid kunnen worden getoetst. De militaire bevelvoering behoeft niet op moeilijkheden te stuiten, al was het maar omdat de troepen de afgelopen jaren ervaring hebben opgedaan met operaties onder leiding van een andere nationaliteit, in de Golfoorlog, in UNPROFOR en nu in IFOR.

De schoen zal wringen op het vlak van de politieke besluitvorming. Deelnemende landen zouden zich bijvoorbeeld kunnen laten leiden door hun bijzondere voorkeuren. De een zal een plaats voor de Europese Unie willen inruimen, de ander zal de WEU naar voren schuiven. Kleine lidstaten zullen zich sterk maken om direct invloed op het te volgen beleid uit te oefenen. Het in de IGC lopende debat dreigt dan, maar met desastreuze want onmiddellijke consequenties, de beslissingen ten aanzien van wat er in Bosnië moet gebeuren te overspoelen. Het zou een goed ding zijn, als die twee zaken, de IGC en een eventueel vervolgoptreden in Bosnië, gescheiden zouden worden afgehandeld.

De Europese leiders blijven overtuigd van de grote betekenis van hun interventie gedurende de afgelopen jaren in voormalig Joegoslavië. In Parijs herinnerde Rifkind aan het vele goede werk van achtereenvolgens de Europese bemiddelaars Carrington, Owen en Bildt. Volgens de op het hoogste Europese niveau algemeen aanvaarde lezing kunnen de Amerikaanse diplomatieke successen van vorig jaar niet los worden gezien van het voorwerk van de Europeanen en van de zogenoemde Contactgroep. Maar in die benadering wordt over het hoofd gezien dat Amerikaanse macht, geloofwaardigheid en doortastendheid de bestaande chronische impasse hebben doen verkeren in een ontwikkeling die ondanks alle valkuilen en tegenslagen zicht geeft op een duurzame vrede.

De lik-op-stuk-diplomatie van een Holbrooke heeft samen met de zichtbare aanwezigheid van de Amerikaanse strijdkrachten de bakens helpen verzetten. Als die wegvallen, moet er voor plaatsvervangers worden gezorgd. Dat is dus zeker een kwestie van het stationeren van voldoende Europese grondtroepen in het betrokken gebied, maar meer nog van het uitzetten van een heldere politieke lijn waarop niet kan worden afgedongen. In dat laatste kan slechts worden voorzien als Europa eendracht en saamhorigheid toont en dat houdt weer in dat menings- en temperamentverschillen zoals die bij de aanvang van de Joegoslavische crisis tussen Duitsers, Fransen en Britten aan het licht zijn getreden, worden overwonnen. Er mag geen plaats meer zijn voor het uitspelen van zogenoemde speciale, op de geschiedenis geënte betrekkingen met de een of andere partij in het spanningsgebied.

Euro-pessimisten zullen aanvoeren dat op die manier van Europeanen wordt gevraagd zich niet langer als Europeanen te gedragen, iedere nationaliteit opgesloten als zij is binnen de enge cirkel van haar eigen historische ervaring. Maar als Europa een herkansing wil, zal het toch in staat moeten zijn die heksenkring te verbreken. In de IGC kan met behulp van diplomatieke formules veel voor het publieke oog worden afgedekt. Maar de Joegoslavische crisis maakt beleid transparant. Dat is de afgelopen jaren afdoende bewezen.