Een kus van een kilo

De mens houdt van vis. Liefst met een schijfje citroen erop, gebakken of gestoomd en met zo min mogelijk graten. De liefde van de mens voor de vis gaat door de maag. Of door de ogen, als de vis in een aquarium is gestopt. De vis zwemt, de mens kijkt door het glas en zegt: mooie vis hoor. De vis denkt: ik had net zo goed een hamburger of een schilderijtje kunnen zijn. Ook lekker, en ook mooi om naar te kijken.

De vis wil meer. Want een vis heeft ook een hart. Ik heb het laatst zelf gemerkt.

De vis in kwestie had dubbele pech. De mensenliefde voor hem ging door de ogen en de maag tegelijk. Deze vis zat namelijk in een aquarium van een Chinees restaurant, vlak naast de deur. Eerst, bij het binnenkomen, wezen de mensen naar hem en ze zeiden: kijk eens, wat een mooie vis. Later, als ze aan tafel de menukaart lazen, zouden de mensen zeggen: lekker, ze hebben verse vis. Nemen we gestoomde of gebakken? De vis in het aquarium zou spoedig worden opgegeten.

Ging dat allemaal door deze grote grijze vis heen toen ik het Chinese restaurant binnenkwam? Dacht hij: daar komt weer zo'n mens dat me eerst bewondert en me dan opeet en verder niks? De vis was een karper, meer dan dertig centimeter lang en zo dik als twee broodjes hamburger op elkaar. Maar dat was me op dat moment nog niet opgevallen. Soms kun je verstrooid zijn, en struikel je bijvoorbeeld over een drempel die je niet zag. Dat gebeurde. Ik had dus geen oog voor de vis. Maar de vis zag mij. En hij besloot om, voor hij eraan zou gaan in de keuken, een daad te stellen.

Terwijl ik struikelend en al mijn evenwicht probeerde te bewaren, was er plotseling iets in mijn nek. Een hele natte zoen. Zwaar ook, het was een zoen die veel woog. Minstens een kilo. Pal daarna hoorde ik gekletter op de vloer. Dat klonk alsof er een schemerlampje omviel. Ik keek naar de grond en riep: huu! Nogal hard, iedereen in het restaurant keek geschrokken van zijn bord op.

De vis had, hup dat aquarium uit, een sprong van meer dan een meter gemaakt. Een sprong in mijn nek. Om me daar te kussen. Toen viel hij. Naast mijn voeten lag de vis te kwispelen. En hij keek alsof hij op het nippertje nog iets van zijn leven gemaakt had.

De volgende dag schepte ik tegen iedereen op over de vis die van mij hield. Ook tegen iemand met verstand van vissen. Maar hij zei: die vis was gewoon zenuwachtig. Hij zat in het nauw. En dan gaan vissen springen. Zo is de natuur.

Ik weiger dat te geloven. Deze vis was meer dan mooi en lekker, hij had een hart. Voordat hij sterven moest, wilde hij dat één keer laten merken. En hij koos mij, voor zijn welgemikte kus. Ik had hem liefdevol moeten knuffelen. Maar ik ging stom gillen. Huu! Daardoor kwam de kok aangesneld. Met een schepnetje. Hij raapte de vis op, liep op een holletje naar de keuken en gooide hem in de pan. Terwijl ik even later achter een bord nasi zat, aten andere gasten in het restaurant mijn kussende karper. Lekkere vis, zeiden ze met volle mond.