Een koninkrijk voor een herinnering; Ischa Meijer en De Dikke Man over hun ouders

Ischa Meijer: Een jongetje dat alles goed zou maken. -: De Dikke Man voor altijd. Uitg. Prometheus, 247 en 371 blz. Prijs van beide ƒ 34,90.

De Dikke Man vertelt hoe hij laatst overhemden stond te strijken en ineens besefte dat alles wat hij over 'die rotoorlog' gehoord had echt gebeurd was. Voor het eerst drong het in volle omvang tot hem door. 'En op een heel rare manier', bekent hij, 'voelde ik me verlost van zoveel beklemming, die me aangereikt was door mijn ouders en Loe de Jong.'

Waarop een luisterende Oude Kennis aanvult: 'Niet alleen willen weten dát het geschied is, maar ook willen ontdekken wát er heeft plaatsgevonden - dat is pas de bevrijding'.

In die woorden, denk ik, ligt de eerste sleutel tot Een jongetje dat alles goed zou maken, een keuze uit de vele teksten waarin Ischa Meijer in de loop der jaren aan zijn jeugd heeft teruggedacht. De inhoud loopt uiteen van liedjes voor toneelprogramma's en verhaaltjes voor de radio tot Dikke Mannen, de cursiefjes die hij in de vier jaar voor zijn dood voor Het Parool schreef, maar de kern is steeds dezelfde. Door een kleinigheid wordt hij herinnerd aan zijn ouders, net als hijzelf overlevenden van Bergen-Belsen, die het kamp nooit te boven kwamen, en hoe pijnlijk het ook is, hij ziet de schimmen onder ogen. Hij probeert het oude af te schudden door het op te zoeken.

Het is de weg die hij al ging in Brief aan mijn moeder uit 1974, de hartekreet die voor het eerst een stem gaf aan wat sindsdien Tweede Generatie heet. Nauwgezet beschrijft hij daar hoe heel het leven thuis beheerst werd door de oorlog, door het kamp, door angst en vijandschap. 'Wat er heeft plaatsgevonden' werd nooit uitgesproken, kampverhalen vonden zijn ouders pathetisch, maar hij ondervond dat de herinneringen alle dagen door de kamers spookten. Elke daad van vader of moeder werd vanzelf gewettigd door hun pijn en offers, elke ongehoorzaamheid van hem werd een bewijs voor zijn ondankbaarheid. 'En ik heb toch altijd zo goed voor je gezorgd', kreeg hij te horen, en als dat niet hielp: 'Jij bent een verrader'. Hij werd afgewezen als een kind met een toekomst, hij moest dienen als een lege huls die op te vullen was met leed van het verleden. Wat hij ook kreeg, geen aandacht.

Dat de Brief aan mijn moeder in Een jongetje dat alles goed zou maken ontbreekt is jammer, want het zou in zijn versnipperde werk ineens een ongedachte klare lijn laten zien. Waar de Brief afstandelijk en zelfs formeel van toon is, met een ondertoon van bijna huilend pathos, daar breekt in de latere verhalen soms een licht absurd gevoel voor humor door, dat in de schetsen rondom De Dikke Man ten slotte opgepompt wordt tot die onverwisselbare stijl, vol hoofdletters en ander overstatement, die nog wel het meest doet den3

en aan slapstick. Wat aanvankelijk plechtstatig was, verandert in een dolgedraaid soort stadhuistaal, wat eerst alleen een ondertoon van smart was openbaart zich als een trommelvuur van tegenstrijdige ontroeringen. En het belangrijkste: wat tot nog toe een ik-figuur was, wordt een hij. Een bezig dikkerdje, tot ontploffens toe vol onbruikbare opwinding.

Door die ironie, die afstand tot zichzelf, lijkt ook zijn perspectief op het verleden langzaamaan te kantelen. Wanneer zijn ouders overlijden, kort na elkaar in 1993, bezoekt hij voor het eerst in zeker vijftien jaar hun huis - de banden waren volledig verbroken. Hij zit in de oude Engelse stoeltjes, neust in laatjes, bladert door papieren en verbaast zich. Het is allemaal zo 'aardig', ja zo 'lief', het toont geen spoor meer van de oude onaantastbaarheid en dreiging. Hij merkt dat hij de inrichting het liefst intact zou laten, om de dood nog even uit te stellen, en hij mompelt in zichzelf: 'Een koninkrijk voor een herinnering'. Nog altijd zoekt hij het verleden op, maar dit keer niet meer om het af te schudden. Hij wil het omarmen.

Vooral zijn vader, die hij in zijn vrome joodse jongensdagen haast verafgoodde, maakt veel bij hem los. O, Vader / in godsnaam / tot U / nader, dicht hij. Dat die vader vroeger sloeg als hij in sjoel een fout in het Hebreeuws van de Tora maakte, dat die vader klaagde over zijn 'bedorven aanleg' en honend voorlas uit zijn eerste puberverzen, het wordt meer en meer vergoed door een besef van wat hij met de man gemeen heeft. 'Enerzijds,' zo legt een oude heer hem uit, 'vervloekt u, tot op de dag van vandaag, de wijze waarop uw ouders u gevormd hebben; maar aan de andere kant plukt u daar nog immer de vruchten van - ja, u verdient er in zekere zin uw brood mee.'

Dat klinkt op het eerste gehoor wat kras, voor wie zijn Dikke Man kent. Lees De Dikke Man voor altijd, een keuze uit de columns die vrijwel tegelijkertijd met Een jongetje dat alles goed zou maken is verschenen, en je merkt dat het daar stelselmatig gaat om wat die vader hem juist niet meegaf: een hartstocht voor het leven. Wat de mensen rondom De Dikke Man ook doen, een eierwekker kopen of een radioprogramma saboteren, een geliefde missen of een glas of twaalf teveel op hebben, ze doen het met ernst en precisie, want ze weten dat die zogenaamde kleinigheden hun bestaan definiëren.

'Aandacht,' zoals De Dikke Man zegt. 'Het gaat enkel en alleen om aandacht.'

Maar ook Meijer senior blijkt daar uiteindelijk niet van verstoken te zijn geweest. De Dikke Man herinnert zich hoe vader op een boekenmarkt in Bern een wedstrijd met hem hield wie het leukste boek kon vinden. Eerst mocht hij, Het Dikke Jongetje, toen zocht vader zelf. Hij naderde een kraampje, hief de handen, liet ze neerdalen om een ordeloze boekenberg uiteen te duwen ('zo spleet Mozes de zee') - en stuitte als vanzelf op Kees, der Junge. Von Theo Thijssen. 'En hij duwde al die boeken weer over Dat Ene Boek. En hij liep door. En ik rende achter hem aan. En ik was trots op hem.'

Die trots keert in het jaar na vaders dood voorzichtig in de stukjes terug. De Dikke Man loopt bij het afscheid van de ouderlijke kamers langs de boekenkasten, waar hij bij het eerste weerzien nog van 'walgde', en bekent zichzelf dat er in dertig jaar geen dag voorbijgegaan is dat hij niet gedacht heeft aan die boekerij. Hij hoort van vreemden hoe briljant zijn vader was als leraar, als historicus, en moet weer denken aan de dagen dat de man hem wandelend door Amsterdam vertelde over de geschiedenis. Hij vindt iets terug van zijn eigen motief, zo lijkt het bijna. Altijd graven in verledens. Altijd aandacht.