De wurgkracht van een gewoon woord; Gesprek met F.B. Hotz

Drieënzestig verhalen publiceerde F.B. Hotz, en één roman. Zijn werk wekt de indruk dat hij vaak uit zijn eigen verleden put, maar Hotz drukt de lezers op het hart niet alles voor waar aan te nemen. Die denken bijvoorbeeld de grootouders in hun huis aan de Rijnsburgerweg te herkennen: “Jawel, maar ik verander van alles. De werkelijkheid laat zich niet beschrijven, die is te ingewikkeld.” Onlangs verscheen 'De vertegenwoordigers', een nieuwe bundel verhalen en beschouwingen.

F.B. Hotz: De vertegenwoordigers. Verhalen en beschouwingen. Uitg. De Arbeiderspers,115 blz.Prijs ƒ 27,50.

We zitten al twee uur te praten aan de vierkante zwarte tafel in het midden van zijn kamer als eindelijk mijn oog erop valt: een kleine, zo'n 40 cm hoge, constructivistische sculptuur van wit geschilderde stukjes hout waaraan enkele bruine schijfjes zijn gemonteerd. Het doet denken aan de architectonische modellen die Malevitsj in de jaren twintig maakte en ook aan de objecten van De Stijl-kunstenaar George Vantongerloo. De sculptuur staat op een kastje, verscholen achter een bureaulamp en heeft niet direct een ereplaats gekregen in het domein van de schrijver F.B. Hotz (74). Als ik hem vraag wat het is, vertelt hij dat hij het zelf heeft gemaakt, een jaar of zeven geleden: “Ik kocht een bundeltje aanmaakhout voor iemand die een open haard had. Al die latjes en stokjes hadden verschillende lengtes en ik dacht: dat is mooi, dan hoef ik niet te zagen. Ik heb er een paar houten schijfjes uit een blokkendoos aan toegevoegd en het geheel geschilderd. Het werkje hinkt natuurlijk wel op vijf gedachten, het heeft iets van Art Deco, maar ook van De Stijl.”

Maar wat zou dat? Het is mooi.

“Nu hindert dat gelukkig niet meer. Er zijn nu ook Art Deco-boeken waarin rustig een stoel van Rietveld staat. Vroeger zou dat heiligschennis zijn geweest. Het aardige van deze tijd is dat je zowel bewondering mag hebben voor De Stijl als voor het expressionisme, voor uiteenlopende kunstrichtingen. Vroeger was dat anders. Ik herinner me dat ik eind jaren vijftig eens naar Amsterdam ging om de Amsterdamse School-architectuur te fotograferen. Toen zei iedereen: Dat is niks, dat is passé. Je moet De Stijl hebben, dat is het.”

Als we zijn opgestaan om het kunstwerkje van dichtbij te bekijken, blijken er meer onopgemerkte verrassingen in zijn kamer. Hij toont nog twee door hemzelf gemaakte sculpturen: een constructie van blauw en geel geverfde blokjes, balkjes en rondjes - elementen uit een kinderblokkendoos - en een beeldschoon zwart torentje, aan de voet versierd met zilverkleurige staafjes. Het tafeltje naast zijn divanbed is een compositie van zwarte en gele onderdelen en ook andere, met boeken beladen bijzettafeltjes zijn zorgvuldig in twee contrasterende kleuren geschilderd.

Tussen de kunstwerken aan de mosgroene muren van het kleine vertrek valt een linosnede van Thijs Rinsema op en een abstracte aquarel met twee grillige, rode vormen van Erich Wichman uit 1915. Hotz wijst me op een aquarel tegen de schoorsteen, een landweg in felle, expressionistische kleuren van Jan van de Baan, uit 1979: “Met dit werk verdedig ik me altijd als me verweten wordt dat ik teveel stil blijf staan bij de jaren twintig.”

In het verhaal In dood water schrijft u laatdunkend over de schilderijen van Edward Hopper: 'Dat werk was literatuur, geen schilderkunst'. Maar veel van uw verhalen doen door de sfeer van beklemming en eenzaamheid juist bij uitstek aan Hopper denken.

“Dat weet ik niet. Maar het is nu eenmaal zo dat ik meer geboeid ben door De Stijl en door de schilders van De Ploeg, die Groningers met hun nuchtere opmerkingen over de schilderkunst. Zo van: Dat staat er aardig op. Wat zij deden, was geen verhaal vertellen, zoals Hopper, dat was puur schilderen.”

“In de jaren tien en twintig werd kunst gemaakt die werkelijk helemaal nieuw was. Daarom wil ik het graag opnemen voor de mensen uit die tijd. Ik heb eens een Cobra-schilder horen verklaren dat zij de abstracte kunst hadden uitgevonden. Daar werd ik kwaad om. Zulke nonsens heb ik ook wel over de jazz-muziek gehoord. Laatst werd nog voor de radio beweerd dat je voor 1940 in Nederland alleen Willy Derby en Lou Bandy had, dat de jazz hier pas na de oorlog bekend werd. Maar in de jaren twintig kwamen hier al de grote jazzmusici spelen. Nederland liep niet achter op dat gebied.

“Ik wil de jaren twintig niet idealiseren en het is niet uit nostalgie dat ik het zo vaak over die periode heb. Er is mij ook veel droevigheid bijgebleven uit die tijd. Het begrip 'the roaring twenties' lijkt me voor Nederland een beetje overdreven. Maar er is toen in de kunst veel gepresteerd wat later niet meer geëvenaard is.”

Ik citeer uit zijn laatste bundel, uit het verhaal De herhaling, waarin hij over twee hedendaagse personages zegt: 'Ze vonden alle verleden meelijwekkend, en putten daar zelfvergroting uit. Hún tijd, dat was het.' Moeten we hieruit opmaken dat Hotz weinig opheeft met het huidige tijdsgewricht? Nee, zegt hij. Er zijn nog steeds schilders die mooie dingen maken en ook heeft hij bewondering voor de moderne jazz, de avant-garde van de jazz-rock. Hij vertelt over zijn zoon die, net als hijzelf in de jaren vijftig en zestig, jazzmusicus is. “Hij wees me op de ongelooflijke technische vaardigheid van hedendaagse instrumentalisten, van drummers die één/zestiende nootjes met hun voetpedaal spelen en intussen met hun handen weer heel andere dingen doen. Men denkt zo gauw dat ik een maniak ben die almaar luistert naar knarsende en ruisende platen uit de jaren twintig. Maar ik houd bij, wat er in de jazz gebeurt, al ga ik niet meer naar concerten.”

Na mijn opmerking dat hij met betrekking tot deze tijd alleen over de kunst praat, maar dat er toch meer is, antwoordt Hotz droogjes: “Nee, er is niet zoveel meer wat er toe doet.”

In verscheidene van de 63 verhalen die hij publiceerde, breekt bij de hoofdpersoon het besef door dat hij een verkeerde weg bewandelt, dat het leven een wending moet krijgen. In zijn eigen leven duurde het lang voor Hotz aan zijn roeping - het schrijven - gevolg gaf. Vanaf zijn veertiende wilde hij schrijver worden. “Maar”, zoals hij zegt, “iedereen riep toen dat het onzin was. Terecht waarschijnlijk.” In 1976, toen hij zijn eerste verhalenbundel publiceerde, was hij 54 jaar.

“Als jongetje van een jaar of tien was ik bezeten van auto's. Ik was vooral gefascineerd door de ontwerpen. Maar je krijgt dan het klassieke misverstand dat men denkt dat je voor techniek in de wieg bent gelegd. Ik werd dus naar de Middelbaar Technische School gestuurd. Die opleiding heb ik echt gesaboteerd om eraf te kunnen. De MTS zat in één gebouw met de kunstacademie. Ik keek altijd jaloers naar die leerlingen, want ik wilde daar zelf heen. Ik kon terecht op de afdeling publiciteit, die gericht was op grafische vormgeving en typografie. Een jaar later, in 1942, ging de school dicht, dus ook die opleiding heb ik niet afgemaakt. Ik heb toen meteen een trombone gekocht en ben acht uur per dag gaan studeren. Tegen het einde van de oorlog hadden we een orkestje geformeerd. De leider zei: 'Na de oorlog zijn er overal feesten en daar kunnen wij dan optreden. Voor mij liep het iets anders: ik bleek in de oorlog TB te hebben gekregen, dus in plaats van bij die bevrijdingsfeesten te spelen, lag ik in bed.”

Vijf jaar, van zijn 23-ste tot zijn 28-ste, moest hij het bed houden. Hotz wil over die periode niet meer kwijt dan dat het 'eigenlijk wel aardig was': “Ik kon redelijk ongestoord lezen.” Vermanend voegt hij eraan toe dat dit geen zielig verhaal mag worden. Hij heeft een hekel aan geklaag en ook aan mensen met ziekteverhalen uit de wachtkamer. “Het is net als met mijn slechte gezichtsvermogen, ik wilde nooit dat daarover geschreven werd. Ik heb er ook met opzet zelf niet over geschreven, ik heb het altijd verzwegen. Het zou lamentabel worden en dat geeft geen pas. Als je ergens kleding koopt wil je toch ook niet weten of de man of vrouw achter de toonbank in een sanatorium heeft gelegen? De lezer heeft er al helemaal geen boodschap aan.”

Hij komt terug op de muziek. Toen hij genezen was ging hij weer trombone studeren en tussen 1952 en 1974 speelde hij in verschillende jazz-orkesten. Op mijn vraag of hij in die tijd nog steeds het gevoel had op de verkeerde weg te zijn, of hij ook toen niet liever had willen schrijven, zegt hij: “Ik beschouwde het wel als een tussenfase, zo van: later ga ik toch proberen wat af te krijgen op schrijfgebied. In 1974 werd de groep waarmee ik vaak optrad, opgeheven. Ik vond dat je als oude vent niet te lang op het podium moest staan. Ik had allerlei verhalen half-af liggen en ik geloofde niet dat het ooit iets zou worden. Maar een belezen oom van me zei: 'Man, stuur toch eens iets naar Maatstaf.' Dat deed ik en tot mijn verbazing kreeg ik een aardige brief met de vraag of ik nog meer had. Pas dan begin je zelf te geloven dat het toch wel wat zal zijn. Het was ineens: nu of nooit.

Na het verschijnen van uw roman De vertekening, in 1991, uitte een recensent in deze krant het vermoeden dat dit boek al in de jaren vijftig was geschreven. Is dat juist?

“Nee. In 1952 heb ik wel een roman geschreven, maar dat was niet De vertekening. Het ging over een groep muzikanten uit de jaren dertig, die praktisch omkwamen van de honger. Dat boek is toen gelezen door de uitgever Boucher in Den Haag. Het was een vrij idiote Van Oudshoorn-imitatie en Boucher raadde me dan ook aan nog niet te publiceren en me eerst verder te bekwamen. Die raad heb ik tussen 1952 en 1976 ruimschoots opgevolgd. Nee, ik heb er nooit spijt van gehad dat ik zo laat debuteerde, ik was er immers op gewezen dat mijn werk nog niet rijp was.”

De vertekening - over een beeldend kunstenaar die zijn huwelijk ziet omslaan in oorlog - is de enige roman in Hotz' oeuvre. Hij legt uit waarom hij zich liever beperkte tot het korte verhaal: “Een roman stelt andere eisen, je kunt niet volstaan met het weergeven van één enkele episode, een roman moet een heel leven omvatten of een ontwikkeling binnen de hoofdpersoon. Dat dacht ik althans, want die eisen waren me eerlijk gezegd niet helemaal duidelijk. Zelf zag ik De vertekening als een lange novelle, maar Theo Sontrop van De Arbeiderspers zei: 'Een roman is een roman als er roman op staat.' Dus dat hebben we gedaan.”

Hotz woont, met zijn oudere zuster, in het huis waar zij in 1932, na de scheiding van hun ouders, met hun moeder introkken. Verscheidene verhalen spelen zich af in dit huis, in een stille wijk in Oegstgeest. Op de tien jaar na dat hij getrouwd was en, van 1956 tot 1966, in Den Haag woonde, heeft hij hier vanaf de jaren dertig altijd zijn kamer gehad. Als ik zeg dat bijna al zijn verhalen gesitueerd zijn in de Randstad, in de omgeving van Leiden, dat hij kennelijk geen reiziger is, beaamt hij dat grinnikend: “Dat is waar. Ik ben nog nooit in Parijs geweest, wel in Noord-Frankrijk om op te treden. Met mijn vriendin heb ik weleens iets over de grens in Duitsland bekeken en ik vond het ook interessant Ieperen te bezoeken om wat zich daar in de Eerste Wereldoorlog afspeelde. Maar ik ben geen reiziger, ik zal niet snel in een vliegtuig gaan zitten. Ik ben trouwens bang voor vliegen.”

Uw verhalen wekkend de indruk dat u vaak uit uw eigen verleden hebt geput.

“Dat is zo, maar toch verbaast het me dat mensen alles wat je schrijft voor waar aannemen. In een boek over de spoorweggeschiedenis werd een hoofdstuk over treinongelukken 'De voetnoot' genoemd, naar mijn verhaal over het treinongeluk bij De Vink in Leiden in 1926. Maar afgezien van dat ongeluk is het hele verhaal verzonnen. In mijn laatste bundel beschrijf ik hoe een jongen een dag meegaat met zijn vader die vertegenwoordiger is bij een wijnhandel. Het zou wel op een verbazend geheugen wijzen als ik mij alle details van zo'n dag nog wist te herinneren. Maar men denkt dat het van regel tot regel echt zo gebeurd is. Kennelijk roepen mijn verhalen dat op.”

Misschien doordat bepaalde gebeurtenissen en personages in verschillende verhalen terugkeren: de grootouders in hun huis aan de Rijnsburgerweg, de figuur van uw moeder, de echtscheiding, de verhuizingen.

“Jawel, maar ik verander van alles. In werkelijkheid gebeurde iets bijvoorbeeld niet binnen een dag of een maand. De werkelijkheid laat zich helemaal niet beschrijven, die is te ingewikkeld.”

We praten over zijn verhaal 'De demonstratie' in zijn bundel Dood weermiddel. Hotz beschrijft hierin hoe de Belgische vliegenier Jan Olieslagers in de jaren twintig ergens op een weilandje in zijn Bleriot een vliegdemonstratie hield. Bij de landing miste het vliegtuigje de over een sloot gelegde planken, zodat de toeschouwers dachten dat dit het einde was van de 'Belgischen Vliegmensch', die het er overigens levend vanaf bracht. Hotz: “Het enige wat ik wist, is welk vliegtuigje die Olieslagers had en dat hij in Nederland demonstraties had gegeven. Het missen van die planken over de sloot heb ik zelf in 1930 gezien bij een noodlanding van een Fokker-tweedekkertje. Het verhaal over de vliegdemonstratie is pure fictie, maar ik heb me over Olieslagers wel goed gedocumenteerd.” Hij wijst naar een vliegtuigje van papier en ijzerdraad, bovenop een kast. “Dat is een model van Olieslagers' Bleriot. Ik vond het op een rommelmarkt kort nadat ik dat verhaal had geschreven. Dat gelooft niemand.”

Bij het verschijnen van zijn eerste verhalenbundels was de moeder van Hotz nog in leven. In 'Drijvende mijnen' vertelt hij hoe ze als weeskind veroordeeld was tot een slovend bestaan in het huis van een tante. In andere verhalen keert ze terug: hij beschrijft haar Indische jaren, haar huwelijk met een man die ze intellectueel verre de baas was. ('Een ideale voedingsbodem voor een echtscheiding', zegt hij.) Hoe reageerde zij op zijn werk?

“Ze vond het dan wel wat. Bij het verhaal over haar jeugd zei ze: 'Daar had je wel een roman van kunnen maken, dat had wel wat langer gemogen'. Ze zei ook dat niet alles klopte en ik heb haar uitgelegd dat dat ook niet mijn bedoeling was: in een verhaal moeten de gebeurtenissen ergens toe leiden.”

De vrouw voor wie uw moeder model stond, is meestal met sympathie beschreven. Dat geldt niet voor andere vrouwelijke personages. Vooral uit de vroege verhalen blijkt een hartstochtelijke afkeer van vrouwen en ook van het huwelijk.

“Die vroege verhalen liggen dichter bij mijn eigen ervaringen met het huwelijk. En ik zag de huwelijken van leeftijdgenoten. Zo'n vrouw die bij het betrekken van een nieuw huis zegt: 'En hier komt mijn bankstel.' En zo'n man die er dan bijstaat met een gezicht van: Leuk hè dat ze dat zo goed regelt. Het heeft me altijd verbaasd hoe mannen lamlendig in een damesfauteuiltje gaan zitten, nog geen hoekje in huis voor zichzelf durven opeisen.”

In de verhalen over jazzmusici verpesten vrouwen altijd alles wat leuk is.

“Dat heb ik vaak gezien ja. In het begin komen ze bij optredens kijken en vinden ze alles enig. Dan, na het huwelijk, zie je het enthousiasme tanen, beginnen ze te zeuren dat hun man zo vaak weg is en laat thuiskomt.” Als het onderwerp nogeens ter sprake komt, roept hij verdedigend: “Er komen ook onaangename mannen in mijn verhalen voor. En ik heb nog nooit een man zich daarover horen beklagen.”

U besluit uw laatste boek, 'De vertegenwoordigers', met een beschouwing over Van Oudshoorns roman 'Tobias en de dood'. Daarin noemt u het 'ongeluksmerkteken' dat in al het werk van Van Oudshoorn aanwezig is, behalve in Tobias. Dat is 'met een soort knipoog, los van eigen traumatische ervaringen' geschreven. In uw verhalen hebben de hoofdpersonen vaak een lage dunk van zichzelf. Is dat uw eigen 'ongeluksmerkteken'?

“Zo zou ik het niet zeggen. Het zijn wel allemaal personages die iets anders willen met hun leven. Als ik het op mijzelf betrek, denk ik het eerst aan de echtscheiding van mijn ouders - een gegeven dat ik misschien wel te vaak heb gebruikt - , aan de trieste stemmingen in huis, het gedwongen partijtrekken en dan altijd net de verkeerde partij.”

In dezelfde beschouwing schrijft u over 'de magie die aan een gewoon woord in een kalme zin wurgkracht kan geven'.

“Ik heb het daar over de kwaliteit van het schrijven, die uitsluitend bepaald wordt door de verwoording en niet door het gegeven, de strekking of invalshoek. Dat meen ik heel ernstig. In mijn latere verhalen ben ik spaarzamer in mijn taalgebruik dan vroeger. Als je 't karig houdt, komt het harder aan. Het gaat mij ook steeds minder om een frappant verhaal, minder om de inhoud en meer om de gekozen bewoordingen.”

In zijn recensie van De vertegenwoordigers schreef Hans Goedkoop dat deze bundel, die amper boven de honderd bladzijden uitkomt, met enige moeite ontstaan lijkt.

“Dat heeft hij goed gezien. Het komt door mijn slechte ogen. Het opzoeken en verifiëren van dingen gaat moeizamer. Je kunt zeggen: dat is een mooie aanreiking om zo simpel te schrijven dat er niets meer hoeft te worden opgezocht. Maar er is altijd wel weer een citaat dat je te binnen schiet en dat je na wilt kijken. Tegenover de lezers kan ik dit niet als argument aanvoeren. Die denken: schrijft hij nou nog wat of niet?”

Op mijn vraag of hij De vertegenwoordigers als zijn laatste boek beschouwt, aarzelt hij. “Je zou kunnen zeggen dat dit het was. Een kleine bundel, De vertegenwoordigers nog toe en daarna afgelopen. Ik ben zo langzamerhand stokoud en dan kun je niet eeuwig doorgaan met schrijven. Ik zeg dit nu wel, maar in werkelijkheid denk ik: je weet maar nooit. En tegelijk vind ik dat ik moet ophouden. Net als vroeger met optreden voor publiek. Het mag niet als een nachtkaars uitgaan.” Hij is stil en zegt dan: “Wat een stoere taal eigenlijk. Alles wat ik vandaag zeg is maar een vage benadering van wat ik bedoel. Meer niet. Ik ben niet zo'n begaafde spreker.”

Er is, desgevraagd, nog één ding wat hij graag te berde wil brengen. Het gaat over het verhaal 'Theodicee' in De vertegenwoordigers, waarin hij laat zien hoe slecht de mensheid er aan toe zou zijn in een volmaakte wereld waarin niemand veroudert of sterft, waarin geen angst, ongeluk of pijn bestaat. Hij schreef dit verhaal toen de oorlog in Joegoslavië net was begonnen. Hij dacht: Waar is het voor nodig dat die mensen elkaar gaan afslachten. En tegelijk dacht hij aan een uitspraak van de Duitse generaal Von Moltke uit 1871: 'De eeuwige vrede is maar een droom en niet eens een mooie droom.' Maar wat hij nu nog zeggen wilde, is dit: “In zijn recensie schreef Hans Goedkoop dat in zo'n volmaakte wereld waarin iedereen in een altijddurend vredig nu leeft, de herinnering en de geschiedenis afsterft. Wat ik er juist nog bij heb gezet, is dat er ook geen kunst meer kan bestaan. Die bloeit pas weer op als iedereen weer in de ellende, ziekte en misère zit. Ik wou dat toch nog even opmerken.”