De taal, niet het verhaal

Jeanette Winterson: Kunstobjecten. Essays over extase en onbeschaamdheid. vert. Jelle Noorman. Uitg. Contact, 192 blz. Prijs ƒ 36,90.

De Engelse schrijfster Jeanette Winterson begint haar essaybundel Kunstobjecten met een vurig pleidooi voor werkelijke aandacht voor het kunstvoorwerp. Ga voor een schilderij zitten, probeer alles wat je ooit over de persoon van de kunstenaar hebt gehoord, wat je aan (voor)oordelen van critici hebt gelezen, wat je aan maatstaven om over goed of slecht te oordelen hebt geleerd eens uit je hoofd te zetten en, zonder je door iets te laten afleiden, een uur lang te kijken. Denk in dit verband dus vooral niet aan de Vermeer-tentoonstelling, duidelijk is dat zo'n tentoonstelling nu juist behoort tot het soort kunstmanifestaties die Winterson niet wil. Alleen de kijker, of lezer, die bereid is zich werkelijk te verdiepen in een kunstwerk en de rust en ruimte schept om zich erdoor te laten 'meeslepen', om in Wintersons terminologie te bijven, heeft het recht er een mening over te hebben. Eerste emotionele reacties in de trant van 'ik vind hier niets aan' of 'ik begrijp er niets van' zeggen niets over het kunstwerk zelf, maar des te meer over de kijker/lezer. 'We horen voortdurend over de arrogantie van de kunstenaar, maar bijna nooit over de arrogantie van het publiek...'

Zulke uitspraken zijn een verademing omdat ze niet het hoge abstractieniveau hebben van de meeste teksten over kunstappreciatie, maar getuigen van een werkelijke liefde. Dit eerste essay is overigens het enige waarin beeldende kunst ter sprake komt. Alle andere betreffen literatuur en de relatie tussen de serieuze literaire tekst en de lezer.

Voor Winterson zijn Virginia Woolf en in mindere mate Gertrude Stein en T.S Elliot de grote moderne schrijvers. Haar benadering van kunst is in wezen die van de Romantiek. Kunst is visionair en ontsluit door haar verbeeldingskracht een diepere, tijdloze realiteit van hartstochten en oerkennis die in het platvoerse tweedimensionale literaire 'realisme', zowel het traditionele negentiende-eeuwse als het moderne - ten enenmale ontbreekt. Sleutel daartoe is niet het onderwerp of het verhaal maar de taal, het weefsel van woorden, ritme en associaties dat een eigen leven gaat leiden en het kunstwerk uniek maakt. Als u literatuur koopt, 'controleer goed of het boek wel van taal is gemaakt!'

Wintersons bundel is een waar genoegen om te lezen. Niet omdat wat ze beoogt nu zo nieuw of baanbrekend is, maar wegens de hartstocht waarmee ze haar standpunten bepleit en de uiterst leesbare vorm waarin ze dat doet. Het geheel ademt energie en vitaliteit. Tegen de stellingnamen op zich is, ondanks interessante detailanalyses, van alles in te brengen. Oversimplificatie, het veronachtzamen van alles wat niet in haar kraam te pas komt, de gimmick om voortdurend naar 'de kunstenaar' of 'de schrijver' met zij en haar te verwijzen, of de overweldigende woordenvloed waarin ze met varianten steeds hetzelfde betoogt. Maar je hoeft het niet met Winterson eens te zijn om te worden aangestoken door haar geestdrift en bijna even gepassioneerd tegenwerpingen te verzinnen.