De onontbeerlijkheid van Borges; Literaire autobiografie van Vargas Llosa

Mario Vargas Llosa: Een manier om ongeluk te bestrijden (La verdat de las mentiras) Vert. M. Dijkstra. Uitg. Meulenhoff, 224 blz. Prijs ƒ 39,90.

Wat hebben Willem Jan Otten en Mario Vargas Llosa met elkaar gemeen? Niets, lijkt me. Toch hebben zij sterk overeenkomende pleidooien afgestoken voor het lezen van Borges. De een deed dat in 1988, in zijn krantenrecensie van De maker, de ander doet het in het apodictische openingsessay 'Waarom u Borges moet lezen' van zijn zojuist in het Nederlands vertaalde literaire autobiografie. Otten ging het verst. Lees desnoods allerlei auteurs van wereldfaam niet, hield hij zijn lezers voor, als je Borges maar wel leest. De Peruaan is iets minder dramatisch, maar benadrukt eveneens de onontbeerlijkheid van Borges.

Het is nuttig deze hommage te lezen aan de vooravond van de Boekenweek, waarin speciale aandacht is voor Latijns-Amerikaanse literatuur. Zonder Borges is die literatuur in haar huidige vorm namelijk ondenkbaar. Dat schrijvers vooral individuen zijn en pas in de tweede plaats vertegenwoordigers van een land of continent, beseft Vargas Llosa terdege. Gelijkschakelende cliché's bezigt hij niet.

In feite bindt weinig hem aan Borges. Hij heeft nooit een fantastisch verhaal geschreven, hoort beslist bij de realisten en voelt weinig affiniteit met dubbelgangers, het oneindige, of God als opperschaker: Borges' terrein. Sartre was Llosa's leermeester, maar diens literatuur hoeft niemand van hem te lezen. Hij is liberaal genoeg om kwaliteit te beoordelen los van verwantschap. Wat hem voor Borges doet buigen, is zijn bewondering voor 'een van de onvergetelijkste kunstenaars van deze eeuw' Hij noemt hem 'de belangrijkste gebeurtenis in de moderne Spaanstalige literatuur.'

Borges was de eerste Latijns-Amerikaan die ontkwam aan epigonisme of regionalisme. Hij kreeg daardoor een unieke voorbeeldfunctie. Vargas Llosa schetst zijn invloed op bijvoorbeeld Cortázar en wat zijn lef en allure aangaat ook op hemzelf. Als hij een parallel trekt tussen Nabokov en Borges, beiden esthetisch ingesteld en speels, noemt hij Borges sterker, omdat de eerste literatuur louter als sport bedrijft en de laatste al spelend grote waarheden zichtbaar maakt. De lofuiting vormt een weloverwogen begin van deze literaire autobiografie, die bestaat uit acht colleges, door Vargas Llosa begin jaren '90 als gasthoogleraar in de Verenigde Staten gegeven.

Het tweede college of essay voert ver terug in de tijd, naar de oorsprong van Latijns Amerika en handelt over de aard van de kronieken die vlak na de conquista werden geschreven. Vargas Llosa constateert hoe moeilijk het blijkens die geschriften voor iedereen was om werkelijkheid en fictie uit elkaar te houden. De fictionalisering van de werkelijkheid is volgens hem nog altijd in grote delen van het continent voelbaar. Het lijkt hem zinnig die verwarring te erkennen en niet langer de conquistadores als zondebokken te zien: voor nu zijn hoe dan ook de mensen van nu verantwoordelijk.

Al even nuchter oordeelt hij over de idealisering van de indianen. Bij een gedwongen keuze zou hij 'met grote tegenzin' stemmen voor hun maatschappelijke en culturele aanpassing, ten koste van hun authenticiteit, omdat de strijd tegen honger en armoede voor gaat. Hier betoont hij zich, zoals meestal, een pragmaticus.

De overige essays gaan over zijn eigen werk. Op de trouwhartige manier waarop hij patent lijkt te hebben geeft hij inzicht in de ontstaansgeschiedenis van zijn boeken. Veel was al bekend, want Vargas Llosa praat voor een naar objectivering strevende realist opvallend graag over zijn leven. Pro memorie: in 1993 nog verscheen De vis in het water, herinneringen aan zijn kindertijd vermengd met een verslag van zijn campagne als presidentskandidaat in 1990.

Zijn boeken zijn onmiskenbaar autobiografisch, maar in deze bundeling laat hij zien hoe hij met schrijftechnische trucs verschuivingen aanbrengt om van de werkelijkheid literatuur te maken. In feite is hij altijd doende werkelijkheid en fictie samen te brengen. Zonder inherente literaire waarheid is een boek immers een pamflet of een armzalig bewijs van onvermogen. Het autobiografisch materiaal wordt door hem om zo te zeggen gezeefd tot het literatuur is.

Wie zijn boeken kent, zal graag lezen hoe Het groene huis van een Bildungsroman uitgroeide tot een complex sociaal epos, hoe Pantaleón van pure soap veranderde in een analyse van de bureaucratisering van de geest, en hoe in die andere soap, Tante Julia en meneer de schrijver, de charmes en de gevaren van de smartlap tegen elkaar werden afgewogen. Zo werkt hij stelselmatig zijn boeken af, want ordelijkheid kenmerkt deze schrijver.

Vreemd, dat juist Vargas Llosa schrijven graag kenschetst als het uitdrijven van demonen, want er is bijna geen schrijver bij wie je zo weinig demonen vermoedt. Ook in deze verantwoording van zijn werkwijze is hij de redelijkheid zelve en nooit sceptisch. Hij lijkt met behulp van literaire vertekeningen, een gesublimeerde vorm van de werkelijkheid zelve na te streven, iets waar Borges zeker niet in geloofde.