De Amsterdamse School in de tropen; The Wolfsonian, een jubelend museum voor toegepaste kunst

De Amerikaanse miljonair Mitchell Wolfson verzamelt toegepaste kunst van 1885 tot 1945. Zeventigduizend voorwerpen kocht hij, die nu zijn ondergebracht in een museum in Miami. Nederland is in The Wolfsonian opvallend aanwezig. “Zo vanzelfsprekend als het is om Rietveld hier tegen te komen, zo curieus is het om de kronkelende klok van Hildo Krop en de paarse stoel van Michel de Klerk te ontmoeten.”

The Arts of Reform and Persuasion 1885-1945. Wolfsonian Museum, 1001 Washington Avenue, Miami Beach. T/m 28 april. Daarna elders in de VS en in Londen, Glasgow, Berlijn, Rome, Genua en Tokio. Mogelijk komt de tentonstelling ook naar Rotterdam. Catalogus uitg. Thames & Hudson, 352 blz. Prijs ƒ 110,05.

Zoals gebruikelijk is 'Mickey' op reis. Niemand weet waar hij is, hooguit waar hij is geweest, aan de hand van de kisten en kratten die binnenkomen bij de douane. Voor de puissant rijke Amerikaan Mitchell Wolfson Junior (56) is winkelen immers een manier van leven. Zijn koopexpedities duren vele maanden en beslaan hele continenten. In dertig jaar tijd heeft hij de grootste privé-collectie ter wereld bijeengebracht van toegepaste kunst uit de jaren tussen 1885 en 1945. Voor deze 70.000 voorwerpen, waaronder veel Nederlandse, heeft hij een museum opgericht, uiteraard The Wolfsonian geheten, in de Art Deco-wijk van Miami. Tien jaar na de oprichting werd onlangs de eerste tentoonstelling voor publiek geopend

Hij is er niet en toch is hij onmiskenbaar aanwezig - al was het maar omdat je weet dat alles, maar dan ook álles wat je hier ziet door de handen van één man is gegaan, is gefilterd door zijn blik, zijn voorliefdes, kennis, interesses en gretigheid. Ook al heeft hij er tientallen miljoenen in geïnvesteerd, het is hem als verzamelaar niet in de eerste plaats om de financiële of esthetische waarde te doen. Hij koopt dingen om het verhaal erachter, om wat ze zeggen over de tijd waarin ze zijn ontstaan. Wolfson wil de materiële cultuur laten zien van een tijdperk, vanaf eind vorige eeuw tot en met de Tweede Wereldoorlog. Dit was de tijd waarin de auto en het vliegtuig zegevierden, evenals de radio en de film. Je kon in twee dagen naar Europa reizen, gebouwen schoten met tientallen verdiepingen tegelijk de lucht in, de nieuwe media brachten geluid in de huiskamer en beeld in de bioscoop. In Rusland woedde de revolutie en de wereld voerde twee keer oorlog. De 'moderne tijd' brak aan.

Met hulp van een uitgebreid netwerk van tipgevers en handelaren, onder wie de Amsterdamse antiquair Frans Leidelmeijer, heeft Wolfson op zijn wereldwijde strooptochten werkelijk van alles vergaard voor zijn beeldverhaal - van de meest alledaagse, schijnbaar waardeloze spullen tot het curieuze, het uitzonderlijke en zelfs het exquise. Van luciferdoosjes en speelkaarten tot Japanse kasten in de Engelse Arts & Crafts-traditie. Van bordspelletjes met miniatuur-wolkenkrabbers uit de jaren twintig tot aluminium stapelstoelen van eind vorige eeuw uit Estland. Van verlichte gietijzeren bewegwijzering voor de New-Yorkse subway tot prullerige souvenirs van de diverse Wereldtentoonstellingen, van modellen en menu's van de luchtschepen Graf Zeppelin en Hindenburg tot affiches waarmee het Derde Rijk de ariërs tot gezinsuitbreiding aanspoorde.

Mickeys museum is een uitdragerij en een archief van onschatbare waarde tegelijk, een gezellige brocante en een samengebalde cultuurgeschiedenis.

Het geld is inmiddels bijna op.

Crackhouse

Wolfson was diplomaat, maar vond de saaie ambassadediners zonde van zijn tijd. Hij was vice-consul in het Italiaanse Genua toen hij zijn ontslag nam om zich te wijden aan de toegepaste kunst. Toen zijn vader in 1983 overleed, leverde de verkoop van diens bioscoop- en televisie-imperium een erfenis op van naar verluidt 84 miljoen dollar (bijna 150 miljoen gulden). Van winkelen maakte hij toen zijn beroep.

Wolfsons museum is gevestigd in de voormalige Washington Storage Company, een witte doos uit de jaren twintig met fraaie terracotta decoraties. Hier lieten noorderlingen die de winters in Florida doorbrachten, de rest van het jaar hun bontjassen, zilver en meubilair opslaan; een vrachtlift bracht hun auto's naar de vierde en vijfde verdieping. Toen Wolfson het gebouw kocht - dat was uiteindelijk voordeliger dan het huren van steeds meer opslagruimte - was dit deel van Miami Beach niet zo chic als nu. Peggy Loar, in 1987 als directeur benoemd, weet nog goed hoe ze vanuit haar kantoor de pistoolschoten kon horen die junks op elkaar afvuurden in het crackhouse in de belendende steeg. “Toen was het museum een baken temidden van armoede en misdaad”, zegt zij. “Nu is het een baken van cultuur tussen het hedonisme.”

Het pakhuis is uitgebreid met twee verdiepingen voor semi-permanente opstellingen en tijdelijke exposities, zoals die van Nederlandse affiches deze zomer. Bij de renovatie is een aantal grote museumstukken in het gebouw verwerkt. De fontein op de begane grond komt oorspronkelijk uit een Art Deco-theater in Pennsylvania. De monumentale stoelen en tafels op de kantooretage stonden jarenlang in de wachtzaal Eerste Klas van het station van Milaan. Dankzij zijn connecties was Wolfson net op tijd om ze uit de vuilniscontainer te redden.

Wolfson koopt het liefst werk dat naar zijn idee onderbelicht is gebleven. Er zijn al genoeg anderen die het Bauhaus, De Stijl en toegepaste kunst uit Frankrijk kopen, vindt hij. Zijn fascinatie voor Nederland heeft ertoe geleid dat sommige verzamelgebieden vollediger, en in een bredere context, in Miami aanwezig zijn dan in Nederland zelf. Van de 27 overgebleven meubelstukken van de Amsterdam School-architect en ontwerper Michel de Klerk bezit Wolfson er bijvoorbeeld zestien. In de bibliotheek liggen een volledige set van het tijdschrift Wendingen en verscheidene uitgaven van de Nederlandse vertaling van Walter Crane's boek Kunst en samenleving. In 1901 verscheen de Rembrandt-portefeuille, een map met fotogravures van 26 van Rembrandts schilderijen. De perkamenten map werd door 'sierkunstenaar' Lion Cachet gedecoreerd met rode en zwarte batikpatronen. Van de oplage van 25 exemplaren bezit het Wolfsonian er drie. Met de recente aankoop van honderden boekbanden van de Amsterdamse collectioneur Veeze kan het Wolfsonian bogen op de grootste verzameling ter wereld van Nederlandse grafische kunst van omstreeks de eeuwwisseling.

Ellinoor Bergvelt, kunsthistorica aan de Universiteit van Amsterdam, trad op als adviseur bij de openingstentoonstelling en schreef het essay over Nederland voor de catalogus. “Het was een rare ervaring om daar in de tropen meubels van de Amsterdamse School en de Nieuwe Kunst te zien die je met regenachtige Hollandse novemberdagen associeert. Het is jammer, dat zo veel van dit culturele erfgoed Nederland verlaat, maar daar staat tegenover dat collecties daardoor intact blijven. Voor de collectie Veeze was er in Nederland geen koper te vinden. En Wolfson was bereid snel te beslissen en meer te betalen dan de Nederlandse instellingen.” De presentatie in een internationale context kan een voordeel zijn, zegt Bergvelt. “Anders blijven we hier maar navelstaren. Bovendien krijgt het werk zo bredere bekendheid.” Ondanks de belangstelling merkte zij dat het zelfs bij een toegewijde instelling als het Wolfsonian aan kennis van de Nederlandse kunstnijverheid schort: “Er bleek een aantal Deense voorwerpen voor Nederlandse te zijn aangezien.”

Bergvelts onderzoek voor de tentoonstelling leverde ook voor Nederland een kunsthistorische ontdekking op. In 1959 moest het huis van de familie Denze van Schaik op het Frederiksplein in Amsterdam worden gesloopt om plaats te maken voor een kantoor. De weelderige inrichting van Lion Cachet werd over verscheidene instellingen verdeeld, waaronder de Beurs van Berlage, die één kamer als stijlkamer inrichtte. Daarvan was de haard echter verloren gegaan, althans dat dacht men - totdat Bergvelt hem in het museum in Miami herkende.

Wantrouwen

Het museum bestaat al tien jaar en heeft inmiddels een staf van dertig mensen, maar presenteert zich nu pas aan het publiek met de tentoonstelling 'The Arts of Reform en Persuasion, 1885-1945'. Drieëneenhalf jaar heeft conservator Wendy Kaplan eraan gewerkt, samen met experts uit Amerika, Groot-Brittannië, Italië, Duitsland en Ellinoor Bergvelt namens Nederland, de landen die de zwaartepunten van de collectie vormen. Het eerste deel laat zien hoe ontwerpers, kunstenaars, architecten en fabrikanten de nieuwe tijd tegemoet traden; het tweede bejubelt de verworvenheden van het moderne leven zoals wolkenkrabbers en vliegtuigen. Tenslotte zien we hoe vormgeving voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog steeds meer propaganda werd in dienst van een ideologie.

Een herdenkingsbord voor koningin Wilhelmina van de keramist Colenbrander, een Art Nouveau-deur uit een Amsterdamse grachtenpand, postzegels, Het boek van PTT van Piet Zwart, de (geleende) rood-blauwe stoel van Rietveld: Nederland is doorlopend aanwezig. Zo vanzelfsprekend als het is om Rietveld hier tegen te komen, zo curieus is het om de kronkelende klok en wierookbranders van Hildo Krop en de paarse stoel van Michel de Klerk te ontmoeten. Pas nu ze hier in een on-Hollandse context staan, valt op dat ze, alle verschillen in stijl ten spijt, een belangrijke eigenschap gemeen hebben: hun onverschrokken radicaliteit. In de veertien kamers van de tentoonstelling blijkt telkens weer dat ontwerpers, fabrikanten, drukkers en opdrachtgevers in Nederland vol vertrouwen op de nieuwe wereld afstapten. De paarse stoel van De Klerk lijkt uit een boze droom weggelopen. Er is niets bangs of bedeesd aan. Dat geldt eveneens voor de houten stoel met rieten zitting van Berlage uit 1895, in al zijn eenvoud was die toen uiterst modern.

Als je bij de rood-blauwe stoel van Rietveld links de hoek om gaat is ineens alles in beweging. De Hamburg-American Line adverteert een reis naar Europa in twee dagen, een snelle sportwagen uit 1932 maakt reclame voor motorolie, een jaar later komt Renato Bertelli met een ronde sculptuur die het 'doorlopende profiel' van Mussolini voorstelt. (Il Duce, die meer dan Hitler openstond voor de avantgarde, vond het goed dat dit profiel in grote oplage als presse-papier werd vervaardigd en verkocht). Alles is gestroomlijnd en dynamisch, tot en met de wekker en de waterkan. De wolkenkrabber, het moderne gebouw bij uitstek, wordt gedomesticeerd in de vorm van een boekenkast en een Monopoly-achtig bordspel.

Een zaal die bij sommige Amerikaanse bezoekers negatieve reacties opriep, is die waar nazistische en Amerikaanse adelaars naast elkaar hangen. Het affiche voor de National Recovery Act uit 1934 is zelfs nog een slag krijgshaftiger dan het embleem van het Heim der Hitlerjugend van een jaar eerder. “Het feit dat totalitaire en democratische regimes hetzelfde symbool gebruiken, zegt niets over het morele gehalte van de adelaar, maar alles over zijn symbolische kracht. Als mensen hier weggaan met een beter begrip van de manieren waarop ze worden overtuigd, om niet te zeggen gemanipuleerd, dan hebben wij het publiek een dienst bewezen.”

Havana

Het museum is er in geslaagd om van een persoonlijke liefhebberij uit te groeien tot een professionele instelling. Tienduizend documenten zijn gedigitaliseerd en via een elektronisch netwerk in gespecialiseerde bibliotheken aanwezig. Sinds anderhalf jaar is er ook een onderzoeksprogramma voor buitenlandse wetenschappers. Een Kroatische onderzoeker verdiepte zich in fascistische Italiaanse affiches, de Tsjech Eric Dluhosch is bezig met Oosteuropese grafische kunst, en er komen twee mensen uit Havana die in Cubaanse Art Deco zijn gespecialiseerd. Men zou graag zien dat er Nederlandse onderzoekers komen die het museum niet alleen over de grafische vormgeving kunnen vertellen, maar ook over de inhoud van de boeken.

Naast het museum in Miami is er een filiaal in Genua, waar Wolfson in zijn tijd als vice-consul een negentiende-eeuws kasteel kocht. Dat zou ook een museum moeten worden, maar daar is waarschijnlijk geen geld meer voor. Twee jaar geleden trok Wolfson zich als financier grotendeels terug. Het Journal of Decorative and Propaganda Arts verschijnt nog maar eenmaal per jaar, en van de begroting van het museum, 2,6 miljoen dollar (ruim vijf miljoen gulden) per jaar, betaalt hij nog maar twintig procent.

Directeur Peggy Loar: “We hebben afgesproken dat Wolfson de collectie in langdurig bruikleen aan het museum geeft. Alle objecten die in tentoonstellingen worden opgenomen, worden daarmee eigendom van het museum. Anders zou het museum nooit aanspraak op subsidies of donaties van particulieren kunnen maken.” Tot nu toe lukt het om financiering te krijgen van zowel lokale bronnen in Miami en Florida als van landelijke instanties, waaronder de National Endowment for the Arts en de National Endowment for the Humanities.

Niet Wolfson, maar het 'Accessions Committee' heeft nu het laatste woord over het aanvaarden van geschenken en het doen van nieuwe aankopen - ook door de oprichter. Jarenlang gebruikte Mickey Wolfson voor zijn reizen door Amerika twee geheel in stijl ingerichte treinwagons van omstreeks de eeuwwisseling. In 1992 werden ze vermalen door orkaan Andrew. Achteraf lijkt het een symbolische gebeurtenis. Hij is nog altijd the ultimate shopper, zoals zijn medewerkers met een mengeling van ontzag en vertedering zeggen, maar tegenwoordig zijn het vaker faxen en foto's die hij naar huis stuurt dan kisten en kratten.