Campagne moet 'deelauto' populair maken

DEN HAAG, 15 MAART. Een deelauto is een auto die je deelt met iemand anders. Dat kunnen de buren, familie of vrienden zijn, maar een abonnement op een huurauto is ook mogelijk, net als een wijkauto of een knipkaart waarmee wordt betaald bij het ophalen (of laten voorrijden) van de auto. Autodelen is niet hetzelfde als carpoolen. Bij carpoolen blijft de eigen auto behouden. Wie een deelauto heeft, ziet af van eigen autobezit. Aan het milieuvriendelijke carpoolen wordt het element van minder ruimtebeslag toegevoegd.

Gisteren werd in Den Haag een klein symposium aan het autodelen gewijd - en de tienduizendste autodeler in de bloemetjes gezet. Ter vergelijking: Nederland telt op dit moment naar schatting 500.000 carpoolers. “De beeldvorming is goed, maar de praktijk blijft achter”, zei J. Theunissen van Gedeeld Autogebruik dan ook, een vorig jaar op initiatief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat opgerichte stichting. Theunissen memoreerde dat die goede beeldvorming bovendien eerder te danken is aan initiatieven van de ANWB ('auto op afroep') en de Bovag ('call a car'), die landelijke bekendheid genieten, dan aan de overheid.

Van de vijfentwintig autodeel-projecten die gemeenten met rijkssteun en in samenwerking met Daihatsu Holland hebben opgezet, dreigt een aantal inmiddels te worden stopgezet wegens gebrek aan professionele begeleiding (er werden banenpoolers voor ingeschakeld), eentonig aanbod en het uitblijven van snel succes, zodat de lokale autodealer afhaakte. De landelijke projecten van Bovag, ANWB en een aantal grotere autoverhuurders tellen zo'n 7.000 deelnemers, de regionale, met overheidssubidie ondersteunde intitiatieven ongeveer 3.000. In het niet-geregistreerde circuit van familie, vrienden en buren delen waarschijnlijk zo'n 50.000 mensen een auto.

Het autodelen zal in de nabije toekomst “op provinciale schaal van de grond worden getild”, aldus Theunissen, en nog dit jaar komt er een landelijke campagne om de deelauto te promoten. Bedoeling daarvan is dat er één woord voor het fenomeen opgang doet, 'deelauto', om te voorkomen dat door de diverse initiatieven met benamingen variërend van 'greenwheels' tot 'huur op maat' mogelijke klanten “door de bomen het bos niet meer zien”, zoals W. Sweers zei, projectleider onderzoek gedeeld autogebruik op het ministerie.

Want het rijk verwacht veel van het autodelen, daarbij kijkend naar al wat oudere initiatieven in Duitsland en Zwitserland, waar het veel voorspoediger gaat. Hoewel is afgesproken dat de overheid zich in haar beleid niet richt op het autobezit, bestaat er immers wel degelijk een nauwe relatie tussen bezit en gebruik. Wie een auto naast de deur heeft staan, stapt er ook in. Veertig procent van alle autoritten betreft een afstand onder de vijf kilometer. Wie een deelauto heeft, legt weer op de fiets, lopend of in het openbaar vervoer die afstanden af. In Duitsland en Zwitserland neemt het autogebruik bij autodelen soms met de helft af.

Op het ministerie circuleert nu het hoopvolle streefcijfer dat door het autodelen het huidige wagenpark van zes miljoen personenauto's niet zal groeien tot acht miljoen in het jaar 2010, maar tot 6,5 miljoen. Zeker is dat in Nederland negen miljoen mensen een rijbewijs hebben, en dat in steeds meer gezinnen een tweede auto wordt aangeschaft. In de rekenvoorbeelden van deelauto-aanbieders staat dan ook steevast een vergelijking met autobezit, dat bij louter sociaal-recreatief gebruik vrijwel altijd duurder blijkt uit te vallen dan de deelauto.

Op het ministerie voorziet het projectteam gedeeld autogebruik een toekomst waarin mensen er trots voor uitkomen dat ze de beschikking over een heel wagenpark hebben, in plaats van over maar één auto. Om het fenomeen deelauto uit te dragen is minister Jorritsma alvast aangeraden haar autogebruik te variëren: een kleine elektrische auto voor korte stadsritten, een luxe auto in het land, een ruimtewagen voor als er genodigden meereizen.