Bankroet slaat bres in kennisinfrastructuur

ROTTERDAM, 15 MAART. Het wegvallen van Fokker als zelfontwerpende vliegtuigfabriek slaat een groot gat in de Nederlandse kennisinfrastructuur, daarover bestaat geen twijfel. Al sinds de zomer van 1992, waarin de overname van 51 procent van het Fokker-belang door het Duitse DASA steeds dichterbij kwam, is over de betekenis van Fokker voor de Nederlandse technologische inspanning nagedacht en de analyses zijn in tal van geschriften vastgelegd, variërend van 'position papers' tot 'cluster-signalen'. In september vorig jaar verscheen een TNO-studie over 'De betekenis van Fokker voor Nederland'. Niemand kan beweren niet geweten te hebben wat er met het loslaten van Fokker op het spel werd gezet.

De TNO-studie beschreef Fokker als een vrijwel onmisbare speler in een voor internationale begrippen zeer compleet Nederlands luchtvaartcluster dat door de wijze waarop het zich na de tweede wereldoorlog (opnieuw) vormde rond Fokker, KLM, Schiphol en de TH Delft een ongekend hechte cohesie vertoonde. “Die cohesie is tegelijk zijn zwakte”, noteerde TNO. “Valt een van spelers weg, dan wordt op termijn de hoogwaardigheid van het hele cluster bedreigd.” Belangrijke vertegenwoordigers in het cluster zijn, afgezien van de al genoemde, de Rijksluchtvaartdienst, de Luchtverkeersbeveiliging en de luchtmacht. Voor wat betreft de generatie van hoogwaardige technologische kennis was de samenwerking van Fokker met het Nationaal Lucht- en Ruimtevaartlaboratorium (NLR) in Amsterdam en Marknesse, de faculteit vliegtuigbouw in Delft en, in mindere mate, die met de Hogeschool Haarlem van uitzonderlijke betekenis.

Prof.dr.ir. J.L. van Ingen, decaan van de faculteit luchtvaart- en ruimtevaarttechniek, is er van lieverlee in getraind geraakt het belang van een volwaardig functionerend Fokker voor zijn faculteit in een paar zinnen samen te vatten. Kon de dreigende komst van DASA hem in 1992 nog enigszins uit balans brengen, het veel pijnlijker faillisement ontvangt hij schotvast. Van Ingen is bezorgd, maar allerminst somber. “Fokker was een belangrijke appetizer voor de faculteit, maar de afdeling valt of staat al lang niet meer met het voortbestaan van de vliegtuigbouwer.”

Al sinds 1960 kan Fokker bij lange na het aantal Delftse afstudeerders niet meer opnemen en de laatste jaren kwam nog maar zo'n vijf procent van de 120 tot 140 afstudeerders bij Fokker terecht. Het merendeel is goed en makkelijk te plaatsen in andere ondernemingen.

De faculteit heeft op tijd de bakens verzet, is zich in stages en afstudeeropdrachten meer op het buitenland gaan richten en biedt nu een zeer brede, volwaardige opleiding aan, waardoor zij veel groter is geworden dan de meer gespecialiseerde faculteiten vliegtuigbouw in het buitenland.

Afstudeerders van de vakgroep materialen en constructies worden geplaats bij Hoogovens, Shell, DAF of Volvo, die met simulatietechnieken of meet- en regelsystemen in het eindpakket belanden bij de NLR, de KLM, de RLD en verder ook bij Shell en Philips. Men durft te stellen dat 'vliegtuigbouw' zeker zulke goede werktuigbouwers aflevert als de faculteit werktuigbouw en maritieme techniek.

Toch staat buiten kijf dat een deel van het internationale prestige van Fokker afstraalde op de faculteit vliegtuigbouw, die immers een zichtbare samenwerking had met Fokker, al was het maar doordat Fokker-technici als docent optraden. En een verminderd aanzien van de faculteit kan de gehele TU schade berokkenen, weet Van Ingen. Internationale analyses hebben aangetoond dat de Delftse universiteit, binnen Europa derde in aanzien, achter het Imperial College en de hogeschool van Aken, haar positie vooral dankt aan de faculteiten weg- en waterbouw en vliegtuigbouw. “Het verdwijnen van Fokker zal zeker extra inspanningen vergen.”

Maar nergens zal de klap zo hard aankomen als bij het NLR, zeggen de Delftenaren. Het NLR is de grootste van de vijf grote technologische instituten (GTI's) die Nederland bezit en het stond hoog op de nominatie om uit te groeien tot 'centre of excellence', tot een topinstituut waarin de overheid extra zou investeren.

Het NLR had een zeer intense samenwerking met Fokker en stemde zelfs zijn vrije onderzoek af op de behoeftes van de vliegtuigbouwer. “Het NLR functioneerde als een soort extern ontwerpbureau voor Fokker”, zegt directeur dr.ir. B.M. Spee. “Meer dan eenderde van ons personeel is aangewezen op een zelfscheppend Fokker en er werken hier zo'n 950 mensen, dus het sommetje is gauw gemaakt.”

Ruim 300 NLR'ers zullen door het wegvallen van Fokker hun positie verliezen. Toch hoopt Spee het nog enige jaren in volle bezetting te kunnen uitzingen. Nu Fokker wegvalt kan een deel van de kennis die voor de vliegtuigbouwer werd gereserveerd op de buitenlandse markt worden gebracht. Dat kan enig respijt geven. Overigens is Spee er niet gerust op dat een verdere Europese oriëntatie van zijn instituut heel veel zal opleveren. “Binnen Europa concurreren wij met vliegtuiglaborarotia als DLR in Duitsland, DRA in Engeland en Onera in Frankrijk en die halen een veel groter deel van de omzet uit overheidsopdrachten.” Ook van de inkrimpende Europese ruimtevaart kan niet al te veel verwacht worden. Toch ziet Spee de grootste schade van het Fokker-faillisement buiten zijn instituut liggen, dat is: bij de hechtheid van het gehele luchtvaart-cluster.

Waar zeker ook forse schade wordt aangericht is de Hogeschool Haarlem, een instituut dat opleidde tot vliegtuigbouwer op HBO-niveau. De laatste jaren, zegt ir. P.J. van der Zanden, hoofd opleiding vliegtuigbouw, werd ongeveer de helft van de circa 70 afstudeerders die de hogeschool verlieten bij Fokker ondergebracht. In de jaren tachtig lag dat percentage toen de Fokker 50 en 100 in 'upswing' zaten, nog veel hoger.

De samenwerking met Fokker was hecht, zelfs deed de hogeschool wel onderzoek voor de vliegtuigbouwer. “Er was in de regel veel geld beschikbaar. Het verdwijnen van Fokker tast het aanzien en de uitstraling van onze opleiding aan.” Haarlem zag de bui wel hangen. “We hadden aanvankelijk nog 15 afstudeeropdrachten gepland bij Fokker, maar die hebben we op tijd geschrapt. Het risico werd te groot.”