Wildjacht (2)

Onlangs trok voor ons oog, naar aanleiding van een hetze tegen de grofwildjacht, de reidans der criticasters van het Jachtbedrijf voorbij. Asscher schreef een genuanceerd stukje; voorafgegaan en gevolgd door de 'razernijen' van de dames en heren kritisch faunabeheerders 'en andere wereldverbeteraars'. Maar alle genoemde 'jagers'-argumenten kwamen slechts voort uit hun verbeelding.

Wij moeten voor onze spijsvertering andere wezens ombrengen. Velen ontgaat dat, zij proppen voedsel als een amorfe massa. Van de wèl bewusten, doden vegetariërs principieel alleen planten. De meeste mensen echter doden ook dieren. Soms alleen uit gevangenschap; eventueel met het predikaat 'scharrel'. De meerderheid bejaagt, direct of indirect, ook wilde populaties.

Bij 'verstandig gebruik' blijven deze populaties in stand. De ondergrens is de minimale reproductiegrootte; op grond hiervan zou de jacht op zeevissoorten onmiddellijk moeten worden stilggelegd.

Dit geldt niet voor soorten in de Jachtwet. De aantallen ervan nemen, ook door de bescherming van de Jachtwet, toe. Met soms als gevolg het ontstaan van schade of voedselgebrek ten nadele van de populatie. Dit is het door de criticasters gefalsificeerde 'degeneratie'-argument.

Eisen dat de jacht op deze soorten wordt gestaakt, berust op gebrek aan inzicht in de materie (cognitief vacuum), op omgekeerde klassewaan (Floris V-trauma), op valse sentimenten (reebruine ogen-syndroom), op stereotypen en op hypocrisie. In plaats van overleg tussen wèl ter zake kundige en verstandige mensen. Dààr doelde Asscher op.