Vredesproces verwaarloost rechten van Palestijnen

De terechte veroordeling van de recente terreur in Israel mag het zicht op de kern van de problemen niet wegnemen. En die kern is, aldus Mouin Rabbani, dat in het lopende vredesproces onvoldoende rekening wordt gehouden met de rechten van de Palestijnen. Zolang dat niet verandert, blijft vrede een illusie.

Vrijwel vanaf het moment waarop in september 1993 het Akkoord van Oslo werd ondertekend, is door de meeste Palestijnse democraten - die in het algemeen voorstanders zijn van vreedzame coëxistentie tussen het Israelische en het Palestijnse volk op basis van wederzijdse erkenning en het recht op zelfbeschikking - gewaarschuwd dat dit akkoord tot mislukken gedoemd was en een recept was voor verder geweld.

Nu zelfs Yasser Arafat en Shimon Peres waarschuwen dat de geweldsspiraal hun akkoord ernstig in gevaar brengt, en de internationale gemeenschap zich genoodzaakt ziet om haar politieke geloofwaardigheid te redden door het organiseren van een conferentie in het Midden-Oosten - een historisch unicum - nu is de tijd gekomen om deze waarschuwingen veel serieuzer te gaan nemen dan tot dusver het geval is geweest.

Al haast twintig jaar is het alle betrokkenen duidelijk dat noch Israel noch de Palestijnen uit een totale oorlog als overwinnaar kunnen komen, en dat het Israelisch-Palestijnse conflict via politieke onderhandelingen dient te worden opgelost. Al even duidelijk is het dat alleen een politieke voortgang - op basis van enerzijds dekolonisatie van de westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza en anderzijds regeling van de internationaal erkende aanspraken van vier miljoen Palestijnse vluchtelingen, met als resultaat de wederzijdse erkenning van Israel en een onafhankelijke Palestijnse staat - garanties kan bieden voor een duurzame en veilige vrede voor beide partijen.

Het bezwaar van het huidige onderhandelingsproces - vastgelegd in een aantal documenten waarin de grenzen van de Palestijnse autonomie zijn bepaald en geen enkele concessie wordt gedaan ten aanzien van een eventuele definitieve regeling - is dat het de fundamentele principes van een duurzame vrede schendt. Het bestendigt de Israelische heerschappij over ruwweg 75 procent van de westelijke Jordaanoever en de Strook van Gaza, en blijkt ontoereikend om de onwettige uitbreiding van de illegale Israelische nederzettingen in deze gebieden tot staan te brengen. Het houdt in dat nog jaren geen rekening zal worden gehouden met de rechten van Palestijnse vluchtelingen, met de stilzwijgende implicatie dat die uiteindelijk in de vergetelheid zullen geraken.

Interim-regelingen - wellicht onvermijdelijk in zo'n bitter conflict, en nuttig wanneer ze wederzijds vertrouwen scheppen - hebben de facto geleid tot een permanente belegering van de autonome enclaves en de Palestijnse economie en hebben slechts een vertrouwenscrisis teweeggebracht. Als het onderhandelingsproces in zijn huidige vorm wordt voortgezet, lijdt het geen enkele twijfel dat de permanente regeling uitsluitend zal worden gebaseerd op het flagrante verschil in macht tussen Israel en de Palestijnen, dat Israelische concessies in dit verband eerder symbolisch dan reëel zullen zijn, en dat de vorm waarin een eventuele Palestijnse staat zal worden gegoten - in wezen een verzameling Bantoestans à la Zuid-Afrika - enige werkelijke Palestijnse zelfbeschikking bij voorbaat zal uitsluiten.

De genoemde kritiek op Oslo komt dus niet voort uit een aversie tegen vrede of ongeduld of onbillijk pessimisme, maar uit een weloverwogen besef dat dit proces niet tot vrede kan leiden, om de simpele reden dat het niet de essentiële stap naar erkenning van de Palestijnse nationale rechten zet.

Wanneer we er rekening mee houden dat dit onderhandelingsproces openlijk de vijandschap van vier miljoen volstrekt aan hun lot overgelaten Palestijnse vluchtelingen heeft uitgelokt en gevoelens van wrok bij talrijke Palestijnen in de gebieden op de westelijke Jordaanoever en in Gaza hebben opgeroepen - onder meer doordat het de voortdurende aanwezigheid in hun midden van een kwart miljoen gewapende joodse kolonisten (en Israelische doodseskaders) legitimeerde, of doordat het hen heeft onderworpen aan een Palestijns bestuur dat zich even wetteloos gedraagt als zijn Israelische voorganger, hetzij op bevel hetzij op grond van eigen motieven - dan kan het voortdurend geweld nauwelijks verbazing wekken.

Natuurlijk is het vermoorden zonder aanzien des persoons van non-combattante burgers in oorlogstijd overal en altijd een misdaad die moreel, juridisch, politiek en militair onverdedigbaar is - of het nu geschiedt door Islamistische radicalen in Tel Aviv of door Israelische luchtmachtpiloten in Zuid-Libanon. Maar veroordeling hiervan, hoewel zeer terecht, mag ons niet blind maken voor de bredere context of verhinderen dat wij de voor de hand liggende conclusies trekken.

Oprechte reflectie op de oorzaken van het recente geweld en een fundamentele heroverweging van het Akkoord van Oslo stonden, dat behoeft geen betoog, niet op de agenda in de Egyptische badplaats Sharm-al-Shaikh. Dat zou een erkenning van eigen falen hebben inhouden waartoe deze groep leiders, van wie een aantal aan de vooravond van algemene verkiezingen staat, eenvoudig niet in staat is.

Eerder zullen we de arrestatie van (gemakkelijk vervangbare) gewapende radicalen en politieke sympathisanten horen eisen, een plundering van een sociale en economische infrastructuur die duizenden begunstigden geen andere keus zal laten dan verdere radicalisering, alsmede een nog draconischer wetshandhaving in de autonome enclaves die elk vooruitzicht op de ontwikkeling van een democratisch Palestijns bestuur op basis van een rechtsstaat zal wegvagen. Zonder een spoor van ironie, bovendien, worden deze eisen gesteld namens een veiligheidsapparaat dat zó incompetent is, dat het zijn eigen premier niet wist te beschermen, en zó ineffectief is, dat het willens en wetens het recente geweld heeft uitgelokt door een eveneens recente reeks politieke moorden.

Het is een troostrijke gedachte dat het Midden-Oosten rustig zou zijn wanneer Iran zijn banden met Hamas en de Islamitische Jihad doorsnijdt. De wrede werkelijkheid is echter anders, want zelfs als Teheran door rabbijnen werd geregeerd in plaats van ayatollah's, dan nog zou het Israelisch-Palestijnse bloedvergieten voortduren. En net als de afgelopen eeuw zal het voortduren totdat de zinloze strategie van koloniale regelingen met de totale oorlog als stok achter de deur plaatsmaakt voor Palestijnse zelfbeschikking en daarmee voor een totale vrede.