Voorzichtig optimisme over behandeling longkanker

Jaarlijks krijgen in Nederland ongeveer 10.000 mensen longkanker en maar liefst 9.000 van hen sterven aan deze ziekte. Longkanker heeft dus een slechte prognose en dat is al lange tijd zo. De laatste twintig jaar is er nauwelijks iets aan veranderd. Deze week, van 12 tot en met 15 maart, was er echter in Amsterdam aan de Vrije Universiteit een Europees congres over nieuwe middelen tegen kanker waar een voorzichtig optimisme viel te horen over de toekomst van de behandeling van longkanker.

Men onderscheidt twee soorten longkanker: het kleincellige type (25% van de gevallen) en het niet-kleincellige type (75% van de gevallen). Kleincellige longkanker is zeer gevoelig voor chemotherapie en kan dus op die manier goed behandeld worden, maar desondanks is de prognose slecht. Deze vorm van longkanker groeit namelijk meestal zeer snel en zaait vroeg uit. De helft van de patiënten met een kleincellig longcarcinoom heeft na de diagnose nog maar minder dan 3 maanden te leven; velen zelfs minder dan 6 weken.

Niet-kleincellige longkanker is juist betrekkelijk ongevoelig voor chemotherapie. Vroege stadia van deze vorm van longkanker (de tumor moet nog tot de long beperkt zijn) worden daarom meestal chirurgisch behandeld. Chemotherapie leek tot nu toe nauwelijks effect te hebben bij deze kanker, terwijl die therapie wel tot ernstige bijwerkingen leidt.

Vorig jaar is er echter een analyse van een groot aantal verschillende onderzoeken naar de behandeling van niet-kleincellige longkanker gepubliceerd in de British Medical Journal (1995; 311). In totaal ging het daarbij om bijna 9.400 patiënten. Het bleek dat chemotherapie bij niet-kleincellige longkanker toch een zeker voordeel biedt: de kans om twee tot vijf jaar langer te leven nam met gemiddeld 13% toe.

Ondanks de uitkomsten van dit onderzoek bleven longartsen sceptisch over chemotherapie, omdat de gebruikelijke middelen flink giftig zijn. Zo worden de beste resultaten geboekt met cisplatine, maar dat is tegelijk een van de meest toxische kankermedicijnen die er bestaan: zeker de helft van de behandelde patiënten klaagt over ernstige misselijkheid en braken, ondanks het feit dat er tegen deze bijwerkingen tegenwoordig goede middelen bestaan. Verder is cisplatine schadelijk voor de nieren en het zenuwstelsel.

Bijwerkingen

Maar als men de uitspraken op het nu gehouden congres van de European Organisation for Research and Treatment of Cancer (EORTC) mag geloven zou de bestaande situatie kunnen veranderen - al blijft voorlopig verlenging van het leven van de longkankerpatiënt het belangrijkste doel van de behandeling. Op echte genezing heeft men nog niet veel hoop.

Op het congres zijn de eerste resultaten gepresenteerd van een behandeling met nieuwe middelen als gemcitabine, paclitaxel (Taxol), topotecan en navelbine. Prof.dr. P. Postmus en dr. G. Giaccone van de Vrije universiteit brachten in Amsterdam de voorlopige uitkomst van een onderzoek naar de combinatie van gemcitabine en cisplatine. De bijwerkingen van gemcitabine zijn vergeleken met die van cisplatine zeer mild; het geeft meestal alleen een soort grieperig gevoel. Daling van het aantal witte bloedcellen (de meest voorkomende toxische bijwerking van chemotherapeutische medicijnen) komt bij dit middel nauwelijks voor. Gemcitabine kan daarom goed gecombineerd worden met andere, giftiger middelen, zoals cisplatine, waarop de tumoren van patiënten met niet-kleincellige longkanker opvallend goed blijken te reageren. In een Italiaans onderzoek zag men bij meer dan de helft van de patiënten een duidelijke verbetering zonder dat er ernstige toxische bijverschijnselen optraden.

Met de nieuwe middelen slinkt de tumor, waardoor de klachten afnemen. Een longarts van het Medisch Centrum Alkmaar, dr. J van den Bergh, noemt de verbeterde terminale thuiszorg voorlopig de belangrijkste ontwikkeling bij longkanker: “Omdat er in de meeste gevallen geen sprake is van een genezing, gaat het erom de kwaliteit van het leven zo dragelijk mogelijk te houden. Dankzij de verbeterde thuiszorg kunnen de meeste mensen nu thuis overlijden. En dat is toch wat eigenlijk bijna iedereen graag wil.”