Universiteiten wensen alleen voor eerste jaren studiebeurs

DELFT, 14 MAART. Studenten zouden alleen nog in de eerste studiejaren een beurs moeten krijgen, en daarna een lening moeten afsluiten. De beurs moet hoger zijn dan de huidige basisbeurs. Dit zei de voorzitter van de VSNU, de vereniging van universiteiten, prof. M.H. Meijerink gisteren op een congres van de studentenorganisatie ISO in Delft.

Meijerink, tot eind vorig jaar secretaris-generaal van het ministerie van Onderwijs, neemt met deze suggestie een voorschot op de brede discussie die minister Ritzen (Onderwijs) wil voeren over de toekomst van het stelsel voor studiefinanciering.

In een eerste reactie zei Ritzen, die ook op het congres aanwezig was, dat hij het idee van zijn voormalige topambtenaar “nergens kan plaatsen”. “Ik vind dit een opmerking uit de categorie 'jaren zeventig' ”, aldus Ritzen. Hij wil - nadat de Eerste Kamer eind deze maand over de prestatiebeurs heeft gestemd (en vermoedelijk akkoord zal gaan) - wel een algemene discussie over de studiefinanciering. Maar de “fundamentele herbezinning” die Meijerink voorstelde, vindt de minister niet nodig.

Volgens Meijerink weerhoudt het bestaande systeem kinderen van ouders met een laag inkomen te gaan studeren, uit 'leenangst'. Het huidige stelsel is daardoor zijn doel voorbij geschoten. “Een studiebeurs zou jonge mensen financiële zekerheid moeten geven zodat ze een goede keuze en start kunnen maken. Dat is niet meer zo met dit lage bedrag.” De huidige basisbeurs, die elke student krijgt, is 425 gulden per maand. Volgens Meijerink is de sterke daling van het aantal eerstejaars studenten dit collegejaar deels te wijten aan “de schrale en onzekere studiefinanciering”.

Een uitgewerkt alternatief voor het huidige stelsel heeft de VSNU nog niet, maar Meijerink zei persoonlijk te denken aan een systeem waarin een student alleen de eerste paar jaar van zijn studie een beurs krijgt, hoog genoeg om er studie en levensonderhoud van te betalen. Daarna zou de student studieleningen kunnen afsluiten of een bijbaantje nemen. Zo'n systeem is niet duurder dan het bestaande, aldus Meijerink. Hij denkt dat jongeren minder snel worden afgeschrikt. “Met name de eerste paar jaar van de studie zijn kwetsbaar. Dan is het belangrijk dat een student een goed overwogen keuze kan maken.”

Volgens Ritzen is de daling van het aantal eerstejaarsstudenten niet te wijten aan angst voor hoge studieschulden. “Het huidige stelsel is redelijk op orde. Iedereen is het er over eens dat het goed is dat kinderen van ouders met lagere inkomens worden beschermd.” Bovendien zijn de leningen 'sociaal', aldus Ritzen. “Als je een laag inkomen hebt, hoef je niet terug te betalen. Misschien zouden we wel de voorlichting hierover moeten verbeteren, om misverstanden uit de wereld te helpen.” Voordeel van de huidige studiefinanciering is volgens Ritzen dat universiteiten en hogescholen worden gedwongen het onderwijsaanbod op de student af te stemmen. “Ze kunnen zich geen wachttijden voor cursussen meer veroorloven, omdat studenten die tijd niet meer hebben.”

HBO-Raad voorzitter A. van der Hek deelt Meijerinks kritiek op de studiefinanciering. “De studiefinanciering wordt steeds onzekerder en schraler. Dat schrikt studenten af.” Van der Hek is er voorstander van studenten in de propedeuse een hogere beurs te geven, zodat ze minder onzeker aan de studie beginnen. “Als de overheid het hoger onderwijs toegankelijk wil houden, zijn meer kosten onvermijdelijk.”

Ook B. Bakker, Kamerlid voor D66, ziet wel iets in Meijerinks suggestie. “Als blijkt dat potentiële studenten inderdaad worden afgeschrikt door de studiefinanciering, kunnen we studenten in het begin een hogere beurs geven, die ze niet volledig hoeven terug te betalen. Later kunnen ze een groter gedeelte lenen. De opstap naar het hoger onderwijs wordt dan misschien makkelijker.” Volgens R. van der Ploeg (PvdA) is Meijerinks idee “interessant”, maar moet de VSNU eerst stelling nemen in de discussie over de verandering van het hoger onderwijs. “Als dat systeem is omgegooid, door te differentiëren in de lengte van studies, kunnen we denken over een ander systeem van studiebeurzen.”

Tweede-Kamerlid W. van der Camp (CDA) kan zich in Meijerinks kritiek wel vinden. Hij vindt het huidige beurzenstelsel “absurd”. “Mijn grootste bezwaar is dat iedereen een beetje krijgt. Het geld komt niet bij de juiste mensen terecht.” De studiebeurzen zouden afhankelijk moeten worden van het inkomen van de ouders, vindt Van de Camp. Volgens M. de Vries (VVD) is Meijerinks kritiek voorbarig. Meijerinks alternatief vindt De Vries 'halfslachtig'. “We moeten een tegemoetkoming geven voor het hele traject, of helemaal niets.”

De studentenorganisaties ISO en LSVB delen Meijerinks stelling dat de studiefinanciering eerstejaars studenten afschrikt. “Dat hebben we twee jaar geleden al gezegd”, aldus het ISO.