Relativisme

In de krant van 7 maart reageren S. Samson en Wouter ter Heide op mijn pleidooi voor moreel relativisme NRC HANDELSBLAD, 2 maart). Samson betrapt mij op een “merkwaardige wending”: Ik zou suggereren dat er toch iets is waarop onze (morele) smaak is gebaseerd, namelijk ons overleven. Dat is een misverstand. Ik denk dat onze voorkeuren niet volstrekt willekeurig zijn. Ze hebben oorzaken en waar we die kennen zijn onze voorkeuren verklaarbaar. Maar dat is iets anders dan dat ze een rechtvaardigende basis zouden hebben.

Ter Heide klaagt dat zijn verbeeldingskracht door mijn verhaal wordt verstikt. Dat spijt me oprecht, temeer daar ik meende juist ruimte voor verbeelding te scheppen. Ter Heide gelooft in evolutie - ik ook - en hij gelooft dat daar uiteindelijk een universele moraal uit voort zal komen - ik niet. Niets wijst erop dat moeder natuur veel goeds in de zin heeft. Sterker nog, alles wijst erop dat zij in het geheel niets in de zin heeft.

Ter Heide denkt dat je aan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens een moreel recht kunt ontlenen. Ik zie niet hoe. Verwart Ter Heide juridische rechten voortvloeiend uit verdragen niet met zogenaamde morele rechten die op normen gebaseerd zouden zijn?

Ter Heide scheldt mij uit voor kortzichtig omdat ik niet doorzie dat 'morele rechten' 'esthetische rechten' in ruimte en tijd overstijgen. Ik had het inderdaad eenmaal, tussen aanhalingstekens, over 'esthetische rechten', in de hoop dat de lezer uit de onzinnigheid daarvan zou begrijpen waarom ik het idee van 'morele rechten' afwijs. Nam Ter Heide mij niet iets te letterlijk? Overigens miste hij hier een leuke kans: hij had ons kunnen uitleggen hoe dat overstijgen in zijn werk gaat. Kon hij dat niet? Of acht hij de paarlen van zijn inzicht aan ons vergooid?