Onder het mes

Veel onderwerpen voor deze rubriek worden aangereikt door een lezer in Groningen die temidden van zeeklei, mist en suikerbieten tot de mooiste gedachten komt. Het bekendst is hij geworden door zijn belangstelling voor de ongezochte vondst, maar ook op het punt van het gezochte probleem staat hij zijn mannetje.

Nu wil hij weten hoe het komt dat zovelen een onbedwingbare neiging vertonen om allerlei zaken scheef af te snijden. Je ziet het gebeuren bij stokbrood en salami, schrijft hij, maar ook bij Gelderse rookworst, bloemstelen en noem maar op. Is het ergens goed voor, heeft het een historische verklaring, of hoe zit dat?

Het leek geen kwestie waarvoor academisch Nederland achter de tekstverwerker vandaan gehaald kon worden, want bij nader inzien wòrden helemaal niet zoveel zaken scheef afgesneden en bovendien is in de meeste gevallen volstrekt duidelijk waarom het gebeurt als het gebeurt. De worst wordt schuin afgesneden omdat dan de plakjes groter worden en het stokbrood moet scheef om toch het soort Hollandse boterhammen te krijgen waarop je pindakaas of chocopasta kan smeren. De moderne sandwich gaat diagonaalsgewijs in tweeën omdat je de slappe sneetjes dan makkelijker naar binnen steekt. Injectienaalden hebben een scheef afgesneden punt omdat daarmee beter te prikken valt en voor sommige tentharingen geldt hetzelfde. De ganzenveren pen, de beitel: ze spreken voor zichzelf. En bovendien: veel scheefheid is geen doel maar onvermijdelijkheid. Wie met een machete, een kapmes dus, suikerriet kapt zal merken dat het riet alleen maar ruisend vallen wil als er scheef in geslagen wordt. Een slag loodrecht op de stengel blijft zonder effect.

Het was op dit punt dat de eerste hapering in de verwerking van het Groninger probleem optrad. Dat de Nederlandse sierbloementeler zijn snijbloemen met een machete oogst lijkt niet erg waarschijnlijk en toch zijn sierbloemenstengels gewoonlijk schuin afgesneden. En als dat niet zo is, wordt namens de bloemisterij het klemmend advies gegeven dat subiet alsnog te doen voor ze de vaas in gaan. Alsof je makkelijker limonade opzuigt door een limonaderietje als daarvan de onderkant scheef is afgesneden.

Wie verzint zoiets? Waarschijnlijk berust het op een aanbeveling van het Proefstation voor de Bloemisterij in Aalsmeer, zegt de Aalsmeerse onderzoeker R. van Gorsel behoedzaam. “Maar als u nu vraagt: waar is dat goed voor, dan zeg ik: het is waarschijnlijk nergens goed voor. Wij zelf hier snijden dagelijks duizenden stengels door en dat gaat altijd gewoon dwars op de stengelrichting.”

't Viel niet eentweedrie te achterhalen waarop de oude aanbeveling was gebaseerd. Misschien was er destijds het bedrieglijke gevoel dat een scheve snede het opnemend oppervlak vergrootte, of dat het scheef bijsnijden voorkwam dat de stengels zich later tegen de bodem van de vaas aanzogen. Maar de voornaamste bedreiging van de wateropname door de stengel is bacteriegroei op het snijoppervlak en wat dat betreft is van het scheef afsnijden meer kwaad dan goed te verwachten. “Ach”, zegt Van Gorsel, “veel kwaad kan het niet. We laten het maar zo, een nieuw advies zou de vakhandel maar in verwarring brengen.” Het opzettelijk kneuzen van plantenstengels zoals voor sommige gewassen wordt geadviseerd, ja, dat moet beslist bestreden worden.

Een kleine stap van riet en snijbloemen naar het gazongras dat grafisch ontwerper Gerrit Noordzij het liefst weer ouderwets met de zeis gemaaid ziet. Noordzij, ongewild een bekende Nederlander geworden toen hij onlangs op de Waaldijk door een lokale redneck werd afgetuigd, schreef in 1979 het boekje 'Zeis en sikkel - de kunst van het maaien' dat honderdduizend maaimachines overbodig moest maken. Dat is niet gelukt, het werk kwam bij De Slegte terecht en te vrezen valt dat het van lieverlee in vergetelheid raakt.

Dat zou jammer zijn, want Noordzij heeft in kort bestek een heel gedegen studie geproduceerd. Hij verklaart waarom de zeis is zoals-ie is, hoe het werktuig gebruikt moet worden (wat niet eenvoudig is) en hij heeft zich afgevraagd hoe de zeis erin slaagt een slap gewas als gras überhaupt in tweeën te krijgen. Op bladzijde 57 geeft hij een technisch exposé over het verschil tussen hakken en snijden - maaien is snijden - en legt hij uit hoe de hoek tussen object en gereedschap bepaalt wanneer snijden in hakken overgaat. Het was niet gek geweest als hij nog een paar bladzijden op dit thema was doorgegaan, want wie erover nadenkt realiseert zich dat het onderscheid tussen het een en het ander helemaal niet zo eenvoudig ligt. 'Snijden' gaat gepaard met heen en weer gaande bewegingen van het werktuig dwars op de voortgaande beweging door het object, maar dat wil niet zeggen dat alles wat anders is automatisch onder 'hakken' valt. Het bijpunten van een potlood met een zakmes kan toch geen hakken genoemd worden, maar snijden is het ook niet. En in welke categorie valt het scheren met een scheermes. En is 'zagen' meer verwant aan snijden of aan hakken? Wat zijn de typische eigenschappen van materiaal dat nog te snijden is? De terloopse vraag uit Groningen heeft de AW-redactie in opperste verwarring achtergelaten.

Over het verschil tussen snijden en hakken is in het bijzonder goed nagedacht in de periode tussen 1789 en 1792 toen de Franse arts Louis zich op voorstel van zijn collega Joseph Guillotin zette aan een verbetering van de al eeuwen bestaande onthoofdingsmachine die sinds die tijd meestal 'guillotine' wordt genoemd. ('Louisette' was beter geweest maar rijmde niet op machine.) De technische overwegingen zijn terug te vinden in 'La guillotine et l'imaginaire de la terreur' van Daniel Arasse dat door SUN in 1989 in Nederlandse vertaling werd uitgebracht.

Guillotin wilde het toestel dat tot aan zijn initiatief altijd gereserveerd was geweest voor de aristocratie ook aan de mindere standen ter beschikking stellen en tegelijk zó vervolmaken dat de beoogde dood zonder onnodige pijn zou intreden. Maar in de Assemblée maakte hij zich met zijn pleidooi voor de optimalisatie van het apparaat (“Mijne heren, met mijn machine laat ik uw hoofd er in een oogwenk afvliegen zonder dat u ook maar de minste pijn voelt”) zo belachelijk dat hij de verdere uitwerking maar overliet aan dokter Louis die prompt een 'Met redenen omkleed advies over de wijze van onthoofden' uitbracht.

Louis realiseerde zich als arts dat de menselijk hals bestaat uit een combinatie van zachte en harde delen, de laatste bestaande uit de nekwervels die gedeeltelijk over elkaar heen vallen en waar de bijl dus altijd doorheen moet. Er was naar zijn mening daarom een combinatie van hakken en snijden nodig om met zekerheid het doel te bereiken en dat ging het best door de valbijl rond uit te voeren. Enigszins zoals de messen die in Nederland nog gebruikt worden voor het doorsnijden van Goudse kazen. Want: “Het is algemeen bekend dat snijwerktuigen weinig tot geen effect hebben als men ze loodrecht aanwendt.” Tot aan 1792 waren alle Europese onthoofdingstoestellen uitgerust met een rechte bijl, die uitsluitend hakte. Aan heldere gravures die dit laten zien is geen gebrek.

Voortaan zou alleen het middelste deel van het mes het hakken voor zijn rekening nemen, de ronde zijkanten zouden de glijdende beweging maken die met 'snijden' wordt aangeduid. Snijden, schrijft Louis, is niet wezenlijk verschillend van zagen want onder de microscoop blijkt elk snijvlak uit fijne zaagjes te bestaan. Maar uiteindelijk is, zoals bekend, gekozen voor een recht mes met een schuine snede, een mes dus dat naar het oordeel van Louis over zijn volle breedte snijdt en nergens hakt. De knellende AW-vraag is nu: had het werkelijk zin de valbijl een schuine snede te geven en trad daardoor werkelijk een proces op dat op 'snijden' leek?