Natuur op het nachtkastje

A Bedside Nature: Genius and Eccentricity in Science 1869-1953. Samengesteld door Walter Gratzer. Macmillan Magazines Ltd 1996, 266 blz., ƒ 49,50. ISBN 0 333 651316

'To the solid ground of Nature trusts the mind which builds for aye' - onder dat motto van Wordsworth verscheen op 4 november 1869 de eerste aflevering van het Britse tijdschrift Nature, 'a weekly illustrated journal of science'. Opgericht door een Victoriaanse coterie met T.H. Huxley als gangmaker, wilde het blad het publiek informeren, wetenschappers van elkaars vorderingen op de hoogte stellen, het belang van wetenschap en techniek bij de beleidsmakers benadrukken en ruimte bieden aan controverses en polemieken. Provincialisme was het blad vreemd: ook voor berichten van het Astronomisch Gezelschap van Riga of de Vereniging voor Natuurhistorie te Montevideo stonden de kolommen van Nature open.

Met het 125-jarig jubileum en het afscheid van hoofdredacteur Sir John Maddox nog vers in het geheugen, is een bloemlezing verschenen over de periode tot 1953, het jaar dat Watson en Crick in Nature de dubbele spiraal van DNA vonden. De titel A bedside Nature geeft al aan dat het samensteller Walter Gratzer niet om een overzicht van wetenschappelijke topartikelen was begonnen. Triomfen worden afgewisseld door evenzovele debâcles, trivialiteiten, verrassingen en absurditeiten. Het resultaat is een levendig panorama van leesbare wetenschap, gezien tegen de achtergrond van de negentiende- en twintigste-eeuwse maatschappij. In tegenstelling tot de Nature van nu, geteisterd door specialismen, is A bedside Nature op het nachtkastje zeer op zijn plaats.

Nature is een blad van liefhebbers. De bloemlezing staat vol aandoenlijke waarnemingen, getuigend van passie voor de wetenschap, van de drang nieuwe kennis te delen. Britser dan Brits zijn, behalve artikelen over golf en cricket, de talrijke anecdotes over huisdieren: de golden retriever die, brief in de bek, de postbesteller op eigen initiatief achterna holt, of de Manchester terrier met gevoel voor humor. Sir William Ramsay, ontdekker van edelgassen, luidt in 1905 in een lied de doodsklok voor het atoom. Vol vuur, en aan de hand van (onvertaalde) citaten in het Oudgrieks en Latijn, voeren briefschrijvers strijd over de kwestie of men in de Klassieke Oudheid weet had van de kakkerlak.

Onbetwist hoogtepunt in deze categorie - die na de Eerste Wereldoorlog door de professionalisering van de wetenschap teloor ging - is de lezer die, in antwoord op een Frans equivalent, een ezelsbruggetje inzendt voor de eerste dertig decimalen van het getal pi, de verhouding tussen de omtrek en de diameter van een cirkel:

Sir, - I send a rhyme excelling

In sacred truth and rigid spelling.

Numerical sprites elucidate

For me the lexicon's dull weight.

If 'Nature' gain,

Not you complain,

Tho' Dr. Johnson fulminate.

De meetellende lezer ziet dat de opeenvolgende woordlengtes het getal 3,141592653589793238462643383279 correct weergeven - en raakt tot tranen bewogen van het 'meespelen' van de aanhef Sir.

Niettemin, Nature dankt zijn faam aan het publiceren van baanbrekende wetenschap. In 1923 heeft de Fransman Louis de Broglie het lumineuze idee lichtquanta als deeltjes te zien. Acht jaar later publiceert de Belgische kloosterling Georges Lemaître de gedachte dat het heelal vanuit één atoom is ontstaan, een eerste versie van de Big Bang theorie. Schitterend is het verslag van R.W. Wood van zijn bezoek in 1904 aan het laboratorium van Blondot, ontdekker van de n-stralen. In een droog proza laat de Amerikaan geen spaan heel van de Franse vinding: 'Verwijderen van het prisma (we bevonden ons in een verduisterde kamer) leek voor de positie van de maxima en minima in de afgebogen (!) bundel niets uit te maken.' Na de Tweede Wereldoorlog, toen L.J.F. Brimble als derde hoofdredacteur aantrad, beleefde het tijdschrift een mindere periode, met als dieptepunt het 'uit plaatsgebrek' weigeren van Hans Krebb's artikel over de ontdekking van de citroenzuurcyclus, een van de pijlers van de moderne biochemie.

Politiek is Nature nooit uit de weg gegaan, en al helemaal niet in oorlogstijd. Als de fysicus Henry Moseley in 1915 als militair door een Turkse kogel is gevallen, verwijt Ernest Rutherford de Britse regering dat een briljant wetenschapper, die veel voor het vaderland had kunnen betekenen, nooit naar het slagveld gestuurd had mogen worden. De Duitser Fritz Haber, die uit patriottisme zijn vaderland in de Eerste Wereldoorlog aan gifgas hielp, wordt fel aangevallen maar krijgt de gelegenheid zich tegen zijn critici teweer te stellen. Zelfs Nobelprijswinnaar Johannes Stark mag zijn denkbeelden over Arische fysica en joodse 'vervuiling' vrijelijk in het blad ventileren, al wordt hij van repliek gediend. Met verve keert Nature zich in de jaren dertig tegen Lysenko's genetica.

Tegelijk geeft het blad hartverwarmende voorbeelden van wetenschap die zich door geen oorlog of vijandschap laat ringeloren. In 1942, tijdens de bezetting, gaf een plaatsvervangende Japanse museumdirecteur in Singapore opdracht de Foresters' manual of dipterocarps, tegen uitdrukkelijke militaire orders in, gewoon uit te geven, uit liefde en respect voor de wetenschap. En in 1949 rapporteert Nature over een opmerkelijke monografie, in krijgsgevangenschap vervaardigd door Franse geologen. Als leden van de 'Edelbach Universiteit' hadden ze met geïmproviseerde instrumenten, deels van eetbaar vet, de 400 m grond die het prikkeldraad hun liet, minutieus geanalyseerd en in kaart gebracht, met tal van waardevolle suggesties op het gebied van plutonische geologie. Wetenschap gaat nooit verloren.