Monsters

Monsters van kinderen, draken van ouders, luidt de titel van het onlangs verschenen boekje van pedagoog-journaliste Mirjam Schöttelndreier, en het leest als een griezelsprookje. Niet voor kinderen, zoals men op grond van de titel zou kunnen denken, maar voor grote mensen. En het zijn geen sprookjes, maar zwarte vertellingen over eigentijdse opvoedingsrelaties. Of - in de woorden van de auteur - opvoedingsverdwazing, waarbij weifelachtige, verwennende en gemakzuchtige ouders een generatie van onuitstaanbare kinderen zouden hebben voortgebracht, monsters van kinderen. De herkenning is groot, iedereen kent wel een geval van peuterterreur, of van kinderen die hun ouders zo tiranniseren dat je na afloop van een zelfs uiterst kort gehouden bezoek denkt: hier kom ik nooit meer; nog liever een sfeer van norse zwijgzaamheid dan de aanblik van deze gemangelde ouders. Draken zijn dergelijke ouders zelden. Het zijn eerder zielige en onmachtige ouders, van wie je slechts vurig hoopt dat ze ooit eens drakeriger zullen worden: uit hun slof schieten, desnoods gillen of ontploffen, alles beter dan die gedempte zoet-gevooisde wanhopig-redelijke overlegcultuur die volgens Schöttelndreier schering en inslag is geworden onder moderne ouders, en die haar een doorn in het oog is.

Haar beschrijvingen zijn leuk, prikkelend, controversieel, maar - altijd een wat muffe tegenwerping - zijn ze ook waar? Beschrijft ze niet vooral pedagogische uitwassen, treurige gevallen van gezinsontsporing, of geeft ze een raak portret waarin niemand misschien zichzelf herkent maar toch in elk geval wel de buren? De belangrijkste bestanddelen van haar pedagogisch portret zijn al genoemd: ouderlijke onmacht, opvoedingsonzekerheid, gebrek aan gezag, het eeuwige onderhandelen, het gemakzuchtige verwennen. In steno: te weinig gezag, te weinig regels, te veel vrijheid, te veel aandacht. Niets hiervan zal enige ouder totaal onbekend zijn, maar de geconcentreerde vorm van deze ellende en vooral de royale mate waarin het de hedendaagse ouder wordt toegedicht is te veel van het kwade. Kortom: herkenbaar als uitwas, maar niet als daagse verschijning. Prikkelend als signalement, maar te zeer uitvergroot en daarmee doorgeschoten.

Dat een groot probleem van het moderne ouderschap het stellen van grenzen is, zal geen ouder ontkennen. Dit blijkt bijvoorbeeld ook uit het recente proefschrift van de Groningse pedagoge Jeannette Doornenbal, Ouderschap als onderneming, waarin ze een vijftigtal ouderparen uitvoerig interviewde over hun opvoedingspraktijken en de perikelen die zich hierin kunnen voordoen. Haar beeld is aanmerkelijk rooskleuriger: veel ouders blijken het redelijk te rooien, zowel met zichzelf, met elkaar als met hun kinderen. Spanningen over het stellen van grenzen blijken zich in veel gezinnen wel voor te doen, maar niet op die slopende en lamleggende manier als door Schöttelndreier beschreven.

Het nieuwe opvoedingsideaal blijkt wat strenger te zijn geworden dan in de hoogtijdagen van de antiautoritaire toegeeflijkheid, maar mag beslist niet verworden tot de ouderwetse autoritaire stijl. Het gaat er nu om, schrijft Doornenbal, om steun en gezag optimaal te combineren, en tot haar grote ergernis slagen vaders, teruggrijpend op hun traditionele gezagsfunctie, hier beter in dan moeders. Vaders strijken met de eer, terwijl moeders het meeste werk blijven doen, is haar bittere conclusie. Een nieuwe vorm van mannelijke superioriteit, juist op het gebied dat vrouwen vanouds toebehoorde: voor een beetje feminist om uit je vel te springen. Vooral de zelfgenoegzaamheid van sommige geïnterviewde vaders is niet te harden, en dan bedoel ik niet eens hun natuurlijk lofwaardige nieuwe zorgzaamheid, maar hun air van vanzelfsprekend overwicht. Wat laten moeders zich toch gauw onttronen zodra vaders zich met het binnenwerk gaan bemoeien.

Maar door wie ook uitgeoefend, voor kinderen lijkt het me goed dat ouders zich weer meer gaan bekommeren om regels en gezag. Het permanente onderhandelen en een te grote toegeeflijkheid voelt als een lauwe dweil en geeft natuurlijk net zo weinig houvast als een slap kussen.