Lekker zuipen in de lucht

De Koninklijke Luchtmacht heeft twee McDonnell Douglas KDC-10 tankervliegtuigen in operationele dienst genomen. Met een geavanceerd systeem voorzien ze gevechtsvliegtuigen in de lucht van extra kerosine.

De vliegbasis Welschap in de buurt van Eindhoven heeft er haast het aanzien van een burgerluchthaven door gekregen. De gecamoufleerde Hercules- en Friendship-transportvliegtuigen van het 334 Squadron vallen op hun thuisbasis bijna in het niet bij de twee reusachtige witgeschilderde KDC-10 tankervliegtuigen die hier sinds kort zijn gestationeerd. De Koninklijke Luchtmacht heeft deze toestellen onlangs aangeschaft om haar F-16's in de lucht met een refueling boom in de lucht kerosine te kunnen bijtanken.

Slechts de lange stang met kleine vleugeltjes, die onder de staart is geklapt, verraadt hun militaire functie. Naast brandstof kunnen de toestellen ook vracht en troepen vervoeren. “Naar het vaste oefengebied in Canada bijvoorbeeld, kunnen we 130 man luchtmachtpersoneel en 30 ton vracht meenemen”, zegt luitenant-kolonel Jake Franken, commandant van het squadron, “En dan kunnen we onderweg ook nog eens zes tot acht F-16's bijtanken.”

De vliegende pompstations zijn begin jaren negentig gekocht van Martinair, waarna de producent McDonnell Douglas ze naar Nederlands ontwerp heeft omgebouwd. In tegenstelling tot wat je zou denken, zijn in de toestellen geen grote, klotsende brandstoftanks ingebouwd. Op het bijvulsysteem, de navigatie-elektronica en een laaddeur na, hoefden de civiele DC-10's nauwelijks te worden aangepast. De vliegtuigen die komen bijtanken krijgen gewoon kerosine uit de eigen voorraad van de DC-10.

In de romp van de wide body staan nu meer dan driehonderd lege stoelen. De helft ervan kan er binnenkort worden uitgeschroefd om plaats te maken voor pallets met vracht die via het vrachtluik kunnen worden geladen. De luchtmacht is uitermate content met de twee tankers en wil dan ook graag op een operationele vlucht laten zien wat ze allemaal kunnen.

Radiostilte

Na het opstijgen zet de KDC-10 koers naar een track van zeventig kilometer lengte op negen kilometer boven de Waddenzee. Eenmaal op het traject aangekomen, zwiert al snel een 'pakketje' van vier Nederlandse F-16's naderbij, dat zich in het verlengde van de rechtervleugel positioneert. De snelheid van de formatie van vijf vliegtuigen is zo'n 600 kilometer per uur. De ontmoeting met de tanker maakt een belangrijk onderdeel uit van een grote NAVO-oefening die al enkele dagen duurt. Het aankoppelen is deze keer extra moeilijk doordat de hele koppelingsprocedure bij deze keer onder radiostilte moet gebeuren.

Het kwartet jachtbommenwerpers is te volgen op de beeldschermen van het zogeheten RARO-systeem - wat staat voor Remote Aerial Refueling Operator - dat vlak achter de cockpit is ingebouwd. Vijf camera's vormen de kern van dit RARO-systeem: één houdt het luchtruim aan de rechterkant in de gaten, één kijkt ter linkerzijde en drie kijken recht achteruit. Het beeld van twee van de camera-ogen valt op één beeldscherm samen, zodat de boom-operator zich met behulp van een stereoscopische bril een driedimensionaal beeld kan vormen. Dit RARO-systeem is deels uit nood geboren. De constructie van de civiele DC-10's bleek te zwak om achterin de staart een post te monteren voor een operator, die van daaruit op het oog de boom in de bijvulopening van een F-16 zou kunnen plaatsen.

Op het beeldscherm is te zien hoe de operator, sergeant Erik van Osch, met een joystick het telescopisch gedeelte uit de bestuurbare arm laat zakken. Dit is het teken voor de eerste F-16 om zich recht achter de tanker te manoeuvreren. De piloot neemt de uitnodiging direct aan en met een sierlijke zwaai komt het met bommen beladen toestel driedimensionaal in beeld. Met behulp van lampen op de buik van de tanker laat Van Osch weten hoe de piloot zijn kist in positie moet brengen, zodat hij het einde van de telescopische stang - de fuel nozzle - met een korte beweging in de bijvulopening kan schuiven. Na een corrigerende manoeuvre koppelt de operator het kleine toestel aan de grote KDC-10. Een klein wolkje kerosine op de plaats van verbinding en het lampje contact coupled op het beeldscherm geven aan dat de brandstof stroomt. Een ander lampje laat zien dat de brandstof met 2.500 pond per minuut door de kortstondige navelstreng bruist. Na anderhalve minuut koppelt de eerste F-16 af en zwenkt onmiddellijk naar de linkervleugeltip. De volgende klant dient zich ogenblikkelijk aan.

Alleen wanneer twee toestellen zijn gekoppeld kan er onder elkaar, via een kabelverbinding in de boom worden gesproken. Voor verheven conversaties is geen tijd, maar alle piloten maken van de gelegenheid gebruik om even aan de radiostilte te ontsnappen. “Lekker zuipen”, zegt er één. “Cheers”, antwoordt Van Osch. Het ene na het andere pakketje parkeert zich aan de vleugeltip; binnen het tijdsbestek van misschien drie-kwartier hebben twintig F-16's een extra hoeveelheid brandstof gekregen: in totaal 37.000 pond.

Terug op Welschap somt de commandant van het toestel, luitenant-kolonel Maarten Kuypers, bij de debriefing van de vlucht de voordelen op van de KDC-10's. “In de eerste plaats vergroten we natuurlijk het bereik van de F-16's of van andere NAVO-vliegtuigen die bij ons willen komen tanken. Maar we kunnen nu geheel onafhankelijk van anderen personen en vracht transporteren. Dat is ook belangrijk. Toen we in de Golfoorlog Patriots naar Turkije wilden vliegen, was daar bijvoorbeeld geen enkele luchtvaartmaatschappij voor te vinden; ze mochten niet vanwege de verzekering. Konden we daar nota bene Antonovs van de Russen voor huren. Dat hoeft nu gelukkig niet meer.”