'Landbouw bedrijven kan op betere manier'

Europees commissaris voor de landbouw Franz Fischler is een man met een missie. Hij wil het platteland in de Europese Unie leefbaar houden. Hij is tegen radicale hervormingen. “Wij moeten ons van de illusie bevrijden dat de grootste landbouwer altijd de meest competitieve is.”

In september zong een koor in klederdracht hem toe op de stoep van het gebouw van de Europese Commissie in Brussel ter gelegenheid van zijn 49-ste verjaardag. Europees landbouwcommissaris Franz Fischler verloochent zijn afkomst niet. Op de gang hangt een affiche dat verwijst naar zijn geboortegrond: Tirol. Zijn secretaresse begroet bezoekers met een uitnodigend 'Grüss Gott'.

Fischler, vijf jaar lang namens de christen-democratische ÖVP minister van Landbouw in Oostenrijk, is sinds 1 januari 1995 verantwoordelijk voor het wel een wee van de bijna 7 miljoen boeren in de Europese Unie. Met een budget van ruim 40 miljard ecu (ongeveer 85 miljard gulden) beheert hij als nieuwkomer in Brussel bijna de helft van totale Europese begroting.

In zijn eerste jaar heeft Fischler zich weten te profileren als een gerespecteerd vakman, die de complexe landbouwdossiers tot in de details beheerst. Maar hij is ook een zelfbewust onderhandelaar, die met politiek Fingerspitzengefühl de weg vindt in het Europese vergadercircuit. “Fischler bindt zich politiek niet meer dan strikt nodig is”, oordeelt een Europarlementariër.

Die voorzichtige houding blijkt onder andere uit de strategienota die Fischler eind vorig jaar publiceerde met het oog op de toekomstige uitbreiding van de Europese Unie met de landen uit Midden- en Oost-Europa. Terwijl pessimisten en critici het einde van het gemeenschappelijke landbouwbeleid voorspellen, bepleit Fischler voortzetting van de in 1992 door zijn Ierse voorganger Ray MacSharry uitgestippelde hervormingskoers. Dat wil zeggen: geen radikale ingrepen of koerswijzigingen, maar rustig doorgaan op de weg van prijsverlagingen in combinatie met directe inkomenssteun voor de boeren. “De uitbreiding mag niet worden aangegrepen als alibi om een kaalslag voor de landbouw door te voeren”, meent hij.

Tegelijkertijd ontpopt Fischler zich steeds meer als een landbouwcommissaris met een missie die het enge belang van de landbouw overstijgt. Zijn inzet is het leefbaar houden van het platteland in Europa. Eind dit jaar organiseert de Commissie een grote internationale conferentie over de toekomst van de landelijke gebieden in Europa, waarbij het accent niet alleen ligt op de boeren maar ook op andere economische activiteiten om leegloop van het platteland tegen te gaan.

“We willen meer dan een landbouw die alleen maar op de wereldmarkt kan concurreren”, zegt Fischler in toespraken. Daarmee bedoelt hij dat boeren ook moeten zorgen voor natuurbehoud, en daarvoor betaald moeten worden. Duurzame landbouw zoals in Oostenrijk, ofwel het definitieve afscheid van steeds groter en steeds meer.

Anderhalf jaar geleden publiceerde het directoraat-generaal 'Economische en financiële zaken' van de Commissie een ophefmakend rapport, waarin korte metten werd gemaakt met het Europese landbouwbeleid. Volgens de opstellers gaat de hervorming van MacSharry lang niet ver genoeg, moeten de prijzen drastisch naar beneden en moeten de boeren voor inkomenssteun maar bij hun nationale regeringen aankloppen. Wat is uw opvatting over dat rapport?

“Het leidde destijds tot een discussie over de hervorming van de hervorming. Ik ben tegen radicale ingrepen en vóór een geleidelijke ontwikkeling van het landbouwbeleid. Het is heel duidelijk dat de gemiddelde opbrengsten in de landbouw in de toekomst verder zullen toenemen, waardoor het effect van landbouwhervorming van 1992 in de loop van de jaren steeds verder zal verwateren. Daarom zullen nieuwe stappen gezet moeten worden. Een andere ontwikkeling is dat de vraag naar landbouwprodukten op de wereldmarkt de komende jaren waarschijnlijk sterk zal stijgen. Ik geloof dat Europa zichzelf een slechte dienst zou bewijzen door het vervullen van die vraag over te laten aan de niet-Europese landen en bij ons thuis alleen maar druk op de boeren uitoefenen om minder te produceren.”

Volgens het rapport is het huidige landbouwbeleid niet alleen weinig effectief maar ook sociaal onrechtvaardig. Tachtig procent van de subsidies gaat naar twintig procent van de boeren.

“Dat heeft MacSharry al vastgesteld. De hervorming heeft zeker geleid tot een trendverandering. Tegenwoordig wordt ongeveer zestig procent van de landbouwuitgaven gedaan in de vorm van directe inkomenssteun voor de boeren. Er is zeker nog sprake van een discrepantie, maar niet meer in die extreme mate als in het verleden.”

In 1992 werd besloten tot directe inkomenssteun voor de akkerbouwers ter compensatie voor verlaging van de graanprijs en braaklegging van grond. In werkelijkheid zijn de graanprijzen de afgelopen tijd tot ongekende hoogte gestegen. Toch gaan de inkomenssubsidies gewoon door. Het Koninklijk Huis in Groot-Brittannië is als grootgrondbezitter een van de grootste ontvangers van inkomenssteun uit Brussel. Is dat niet bizar?

“Bij zijn hervormingen heeft MacSharry voorgesteld dat de grootste bedrijven per hectare minder zouden krijgen dan de kleine. Dat voorstel werd door de lidstaten niet aanvaard. Toch zitten er in het huidige beleid wel elementen die deze richting uitgaan. In de rundveesector geldt een limiet van 90 dieren. In de akkerbouw heb je het tegenovergestelde: daar hoeven de kleine producenten niet mee te doen aan het braakleggen van grond om toch voor inkomenssteun in aanmerking te komen. Maar goed, men kan er over nadenken of in de toekomst niet een zekere aanpassing nodig is”.

“Wat betreft aanpassing van de hoogte van de inkomenssteun, is het volgens mij niet verstandig om van de huidige situatie uit te gaan. De huidige prijsstijging wordt veroorzaakt door een bijzondere krapte op de wereldmarkt, door omstandigheden buiten de EU. De situatie kan in de herfst al heel anders zijn.”

Maar voor u als landbouwcommissaris is dit toch het uitgelezen moment om in te grijpen? Schaf alle subsidies af.

“Het zou wel een heel kortzichtige politiek zijn om te zeggen: nu zijn de marktprijzen hoog en dus gaan we onmiddellijk snoeien. Ik heb altijd gezegd dat we bij de aanpassingen in het landbouwbeleid moeten vasthouden aan een zeker tijdpad en dat we niet zo maar willekeurig hervormingen moeten loslaten. Het zou niet erg verstandig zijn als men na slechts een jaar ervaring van de hervorming in graansector, opnieuw een grote stap zou zetten.”

Waarom is dat zo overstandig? Wat is er eigenlijk tegen radicale hervormingen?

“Een radicale hervorming zou alleen maar veel weerstand uitlokken, waardoor ze politiek niet uitvoerbaar wordt. En alles wat politiek niet haalbaar is, is tegelijkertijd politiek dom. Als inhoudelijk argument geldt dat men in de landbouw meerdere jaren vooruit moet kunnen kijken. Een glastuinder in Nederland moet ongeveer weten hoe de ontwikkelingen zullen zijn als hij in een nieuwe kas investeert. Daarom is het volgens mij van wezenlijk belang om continuïteit te handhaven. Tegelijkertijd moet men natuurlijk de ontwikkelingen op de markt en in de produktie zelf volgen en daarop reageren. Daaruit volgt automatisch een evolutionaire ontwikkeling en geen revolutie.”

Wanneer zijn er dan wel nieuwe hervormingen nodig?

“Alles hoeft niet op hetzelfde tijdstip hervormd te worden. MacSharry heeft de graansector en de rundvleessector hervormd. Ik heb de landbouwministers aangekondigd dat we voor het komende jaar de eerste voorstellen voor hervorming van de melkveesector voorbereiden.”

Daarover wordt in Nederland al volop gediscussieerd met als belangrijkste vraag of de melkquota's gehandhaafd moeten blijven. Wat denkt u dat het beste is voor de Nederlande boeren?

“Ik geloof niet dat het realistisch is om te verwachten dat de melkquotum-regeling helemaal zal verdwijnen. Maar het is ook een illusie te denken dat de sterke regeling die we nu hebben, zo moet blijven. We moeten toe naar een regeling met wezenlijk meer flexibliteit”.

Nederlandse boeren hebben miljarden guldens geïnvesteerd in de aankoop van melkquota.

“Dat weet ik. Daarom zou het dubbel slecht zijn als men de regeling helemaal zou opheffen en de boeren die veel geld hebben geïnvesteerd, in moeilijkheden zou brengen. Mijn interesse gaat niet in de eerste plaats uit naar de quotaverkopers, maar naar de boeren die in de melkveehouderij actief willen blijven.”

Vorig jaar tijdens de hoorzittingen in het Europese Parlement heeft u gezegd dat u de boeren hun 'ondernemersfunctie' wilt teruggeven. Tegelijkertijd propagandeert u een 'ecologisch-sociale' landbouw.

“Dat begip is een uitwerking van het door Adenauer en Erhard ontwikkelde model van de sociale markteconomie. Dat houdt in dat het niet alleen gaat om een vrije markt met volledige concurrentie, maar dat de staat zich ook bewust moet zijn van sociale verantwoordelijkheden. Inmiddels is daar een nieuwe dimensie bijgekomen: de zorg voor onze natuurlijke hulpbronnen. Dit aspect moet in de toekomst een grote rol gaan spelen in de Europese landbouw. Ik ben voorstander van duurzame groei. Dat is overigens ook een punt dat opgenomen zou moeten worden in het Unie-verdrag.”

Boeren moeten voortaan worden betaald als natuurbeschermers en parkwachter?

“Dat is veel te eenzijdig voorgesteld. Het gaat er om dat een boer produkten voortbrengt waarvoor een markt is, anders heeft het geen zin. Tegelijkertijd kan hij ook een nevenprestatie verrichten door op een milieuvriendelijk manier landbouw te bedrijven. Er bestaan ook vormen van landbouw die milieubelastend zijn.”

U heeft het nu over Nederland?

“Nee, je ziet het overal. Dat is een fout van het verleden. Met kunstmatig hoog gehouden prijzen heeft men iedereen beloont die met behulp van veel bestrijdingsmiddelen en veel mest de laatste ton uit de bodem heeft gehaald. Nu hebben we een tweeledige doelstelling zodat het optimum in de bedrijfsvoering voor de boeren ergens anders ligt. We moeten ons van de illusie bevrijden dat de grootste landbouwer altijd de meest competitieve is. Tegenwoordig is het bijvoorbeeld interessant om 10 procent van de grond braak te laten liggen en aan bepaalde voorwaarden te voldoen, waardoor men directe inkomenssteun krijgt.”

Volgens de lijn-MacSharry gaan de landbouwprijzen op den duur naar het niveau van de wereldmarkt.

“Dat klopt. Op lange termijn gaat het die richting op. Maar op lange termijn moet het ook de richting opgaan dat het voor de boeren mogelijk wordt op een andere manier landbouw te bedrijven.”

Dan stuit je op de fundamentele vraag hoe een Europese boer kan concurreren met een boer in Texas en tegelijkertijd zorgen voor natuur en milieu?

“Precies, dat is het punt. Het verschil is dat een Texaanse boer niets krijgt betaald voor natuurbescherming. Een Europese boer krijgt naast zijn opbrengsten voor zijn landbouwprodukten nog een betaling voor zijn extra inspanningen ten opzichte van de natuur.”

Krijgen we dan twee soorten boeren in Europa? Een die produceert voor de wereldmarkt en die het dus zonder subsidies moet stellen. En een die alleen voor Europa produceert en geld krijgt voor natuurbescherming?

“Nee, het tegenovergestelde is waar. Dat concept bestaat in Amerika. Daar vindt men boeren die op grote schaal tarwe en sojabonen produceren voor de wereldmarkt en daarnaast zijn er grote gebieden waar enkele staatsambtenaren werken in natuurparken. Dat concept kunnen we niet gebruiken voor de plattelandsgebieden in Europa. We hebben in Europa een model nodig waarbij tegelijkertijd landbouw en andere activiteiten worden ondernomen, de natuur in stand wordt gehouden en het platteland leefbaar blijft.”

Over enkele jaren mag worden gerekend op een nieuwe wereldwijde onderhandelingsronde over liberalisering van de landbouw. Kan zo'n Europees model, met inkomenssteun voor de boeren, dat overleven?

“In Marrakech (bij de ondertekening van het GATT-akkoord, begin vorig jaar, red.) is afgesproken dat een nieuwe liberaliseringsstap zal worden gezet. We zullen zien hoe de onderhandelingen tegen die tijd gestalte zullen krijgen. Hoe groot de stap zal zijn, is nog onderwerp van discussie.”

Dat is voorspelbaar afgaande op de huidige discussies in de Verenigde Staten over een nieuwe Farm Bill. De tendens is: weg met protectionisme en bescherming, leve de vrije markt.

“Er zijn ook ontwikkelingen in een heel andere richting. De Europese Commissie wil proberen in toekomstige internationale handelsverdragen ook milieunormen in te bouwen om op die manier unfaire concurrentie te verhinderen. Het idee is om bepalingen op te nemen die landen verplichten zekere minimumstandaarden in acht te nemen. Je kunt natuurlijk niet alles hebben in de wereld. Als je de weg opgaat van een zo duurzaam mogelijke produktie, kun je niet tegelijkertijd uitgaan van een totale industrialisering van de landbouw.”

Maar Amerika zet wellicht toch de trend gezien de discussies rond de Farm Bill. Denkt u niet dat Europa op landbouwgebied tot de keuze wordt gedwongen van een gesubsidieerd continentaal stelsel zonder export of vrije concurrentie op de wereldmarkt?

“Ik zie het niet zo extreem. Als de Amerikanen een markt voor hun produkten vinden, waarom zouden ze dan nog een reden hebben om problemen te maken met de Europeanen. Het gaat de Amerikanen er primair om dat ze hun produkten kunnen verkopen. Daarmee ondervonden ze in het verleden moeilijkheden. Maar wanneer de afzet in een groeiende wereldmarkt gemakkelijker wordt, moet dat tot ontspanning leiden. Ik ben er absoluut op tegen dat men de Amerikanen altijd ziet als de trendsetters. Ik ben er voor dat Europa een beetje meer trendsetter wordt in plaats van zich alleen op de Amerikanen te richten.”