In Holland zwemt een vis

Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Door Henrik W. de Nie. 160 pag, ill. Uitg. Media Publishing Int. b.v., Doetinchem. Prijs ƒ 39,95. Ook direct te bestellen bij de uitgever (+ ƒ 7,50 verzendkosten). ISBN 90 801413 5 6

De sneep leeft in scholen in stromend water. Je herkent hem aan zijn brede, stompe, naar voren stekende snuit. Met zijn hoornige onderlip schraapt hij algen van de stenen, maar ook kleine kreeftjes en insektenlarven vallen in de smaak. Hij is bruingroen tot blauw, met koperen flanken. In de lente, als de watertemperatuur boven de negen graden stijgt, vertoont het mannetje zich in fraai paaikleed. Zijn vinnen worden rood, zijn kop zwart en zijn mondhoeken oranjegeel. Aan zijn zwarte buikvlies dankt de sneep zijn bijnaam 'schoorsteenveger'. In de vorige eeuw was hij in de grote rivieren nog algemeen. Zijn vlees, dat zeer bederflijk is, werd soms als mest gebruikt in de aardappelteelt. In de jaren zestig verdween hij vrijwel helemaal uit beeld, vooral omdat stuwen zijn weg versperden.

Sinds kort echter is de sneep bezig met een opmerkelijke come-back. Sinds 1980 is hij weer in 28 kilometerhokken aangetroffen, waaronder verschillende 'afzakkers' in de Biesbosch en zelfs eentje in het IJsselmeer. Vermoedelijk zit er nog een zelfstandige snepenpopulatie ergens in het nieuwe Limburgse natuurgebied de Grensmaas.

De sneep is een van de verrassende soorten die aan bod komen in de vorige maand verschenen Atlas van de Nederlandse Zoetwatervissen. Het is een aantrekkelijk boek geworden. De Organisatie voor Verbetering van de Binnenvisserij (OVB), die auteur Henrik de Nie onderdak verschafte, heeft een reputatie op het gebied van leuke, fleurig geïllustreerde en plezierig leesbare publicaties. De zoetwatervissenatlas past helemaal in die traditie. De vissen, 45 soorten in totaal, worden telkens over twee pagina's besproken, maar de paling, waarop de auteur enkele jaren geleden promoveerde, krijgt er drie. Echte liefde slijt niet. Bij elke soort staat een een kleurenfoto, een handzaam profielschetsje, een verspreidingskaartje plus kaartje van het Europees areaal en een schema, waaruit blijkt in welk watertype je deze vis kunt verwachten.

Er is gekozen voor een indeling in acht watertypen, zoals sloot, beek of grote rivier. Per watertype wordt aangegeven wat de kans is, dat een vissoort daar present is. Als de atlas bijvoorbeeld meldt, dat de presentie voor de snoek in het IJsselmeer 12 procent bedraagt, wil dat zeggen, dat in 12 procent van de 'vijfkilometerblokken' in het IJsselmeer de afgelopen 25 jaar wel eens een snoek gevangen is. Presentie is iets anders dan vangkans. Voor het turven van de presentie in een bepaald kilometerhok maakt men geen onderscheid tussen een massaal gevangen blankvoorntje en een incidenteel gesignaleerd kwabaaltje, ze krijgen allebij één punt. Voor de vangkans maken de aantallen natuurlijk wèl een groot verschil. In de atlas is de presentie van de zeldzame vissen dan ook hoger dan men op grond van hun vangkans zou vermoeden en die van algemene vissen lager.

Aan zeldzame soorten geen gebrek. Van onze 45 inheemse zoetwatervissen zijn er 21 bedreigd en 7 verdwenen (de elft, de gestippelde alver, de grote marene, de houting, de steur, de vlagzalm en de zalm). De niet-bedreigde vissen zijn met 17 soorten in de minderheid. In totaal zijn meer dan 110.000 waarnemingen van beroeps- en sportvissers en natuurbeschermers verwerkt. Daaruit wordt duidelijk, dat dat de visstand in de jaren zeventig een historisch dieptepunt is gepasseerd. Sindsdien gaat het met veel soorten weer wat beter. 21 soorten uit de grote rivieren zijn sinds 1985 in aantal vooruit gegaan. Met andere soorten van de grote rivieren, zoals paling, kroeskarper, karper, snoek en baars, blijft het tobben. Verwacht wordt dat een veranderd spuibeleid bij de sluizen in het Haringvliet en de Afsluitdijk trekvissen zoals bot, zeeforel, driedoornige stekelbaars en spiering zal helpen.

En dan is er nog de groep nieuwkomers, zoals blauwband, roofblei, blauwneus, guppy, Amerikaanse hondsvis en dwergmeerval. Die laatste ziet er intrigerend uit met zijn markante snor van 'tastdraden'. Daarmee spoort hij 's nachts in het donker zijn voedsel van ongewervelde bodemdiertjes op. Deze waterdiertjes wekken zwakke elektrische velden op, die de meerval met zijn tastdraden waarneemt.

Pas in 1971 werd ontdekt dat in ons land twee verschillende soorten dwergmeervallen leven, niet alleen de bruine, maar ook de zwarte. De zwarte werd pas driemaal gezien, in de Leidse Vaart (1965), in de Ringvaart bij Leimuiden (1966) en in het Leidse Rapenburg (1983) tussen de oude fietsen. In de Amsterdamse grachten zwemt de bruine dwergmeerval rond. Vermoedelijk is hij hier illegaal uitgezet door aqariumbezitters, die op het nachtdier zijn uitgekeken. Van oorsprong horen de dwergmeervallen thuis in het oosten van Noord-Amerika, waar ze bekend staan als brown en black bullhead. Ze werden in 1871 in Frankrijk ingevoerd en hebben zich inmiddels tot in Finland verspreid.

Overigens valt op dat dit leuke boek soms kleine slordigheidjes bevat. Zo wordt van de genoemde dwergmeerval in de tekst vermeld dat hij niet in Groot-Brittannië voorkomt, maar Zuid-Engeland staat wèl op het Europese verspreidingskaartje ingekleurd. En de rivierprik wordt opgevoerd als een anadrome vissoort, die in zoet water geboren wordt en eenmaal volwassen naar zee trekt, terwijl dat volgens het register juist een katadrome vis heet. Maar dat zijn muggezifterijen, om in bodemfoerageerjargon te blijven.