'Het maakt je weerbaar als je snel kunt rekenen'

Een kind gaat niet naar school om een held te worden, maar 'om te leren omgaan met verschillen'. Vindt de nieuwe 'procesmanager basisonderwijs' G. den Ouden-Dekkers.

'Een jong kind wordt vaker gekeurd dan een auto.” Greetje den Ouden-Dekkers, sinds een paar maanden procesmanager primair onderwijs, moet weinig hebben van de 'testenbatterij' die oprukt in het onderwijs. Een babycontrole op het consultatiebureau, schoolartsonderzoek voor vijfjarigen, en nu ook nog de 'vierjarigentest' die staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs) onlangs opperde. “Het basisonderwijs is geen autofabriek. Elk kind ontwikkelt zich, ieder kind is verschillend, en geen school of leerkracht die de uitkomst kent. Vroeger kreeg je een brandmerk als je kwaad gedaan had. Ik sluit niet uit dat een verplichte toets voor vierjarigen zo'n brandmerk wordt.”

Den Ouden-Dekkers (56) was eind jaren zestig lerares Nederlands op het Hervormd Lyceum West in Amsterdam, van 1982 tot 1986 was ze Tweede-Kamerlid voor de VVD. Nog is ze voorzitter van de binnenkort op te heffen Emancipatieraad. En sinds 1 januari is ze, in opdracht van staatssecretaris Netelenbos (Onderwijs), voorzitter van het 'procesmanagement primair onderwijs', dat de regie voert over alle 'operaties' die in het basis- en speciaal onderwijs lopen. “De staatssecretaris wilde iemand die niet verstrengeld was in het machtsspel van de onderwijsorganisaties.”

Het instituut 'procesmanagement' is bedacht door het vorige kabinet. Met als doel bruggen bouwen in het uitgestrekte eilandenrijk dat gevormd wordt door ministerie, onderwijsorganisaties, scholen èn de leraar met zijn leerlingen in de klas. Een procesmanager functioneert als een min of meer zelfstandige bemiddelaar en coördinator van de ingewikkelde beleids- en adviesprocessen in de 'pedagogische provincie'. Formele invloed of zeggenschap ontbeert hij. Er zijn 'procesmanagements' voor bijvoorbeeld de basisvorming en voor het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie (BVE).

Knarsetanden

De benoeming van Den Ouden is niet overal in goede aarde gevallen. Het CDA en de kleine christelijke partijen zeggen beducht te zijn voor haar 'paarse sympathieën', haar rechtlijnigheid en vooral haar afkeer van compromissen. En ook de organisaties van schoolbesturen knarsetandden omdat ze door staatssecretaris Netelenbos niet in de benoeming zijn gekend. Zelf typeert procesmanager Den Ouden zich als 'bruid met de handschoen'. “Eentje die uit een ver gewest komt. Ik heb mijn critici op de man af gevraagd: betreft jullie scepsis de procedure of mijn persoon, want dan moeten we praten. 'De procedure' zeiden ze, want hun macht was niet erkend. Onder de CDA-kabinetten is er een hele sterke compromissencultuur gegroeid in het onderwijs. Natuurlijk moet je een compromis sluiten als je wilt vernieuwen, maar dat moet je uitgangspunt niet zijn.”

Vijfentwintig verschillende 'beleidsoperaties' heeft voorzitter Den Ouden tot nu toe in het primair onderwijs geteld. Variërend van een project als Weer Samen Naar School (om kinderen met problemen zoveel mogelijk op gewone basisscholen op te vangen en niet door te verwijzen naar duurdere speciale scholen) tot 'apart beleid' voor het jonge kind, het jonge allochtone kind, lessen in eigen taal, computeronderwijs, beweging, milieu, enzovoorts.

Samenhang is er maar mondjesmaat, signaleert Den Ouden. De ene na de andere commissie wordt aangesteld, maar het beleid blijft verbrokkeld en verkokerd. Waarom, bijvoorbeeld, moet de minister over de Pabo's beslissen, terwijl de staatssecretaris gaat over de basisscholen en dus over de inhoud van het onderwijs? Soms ook 'dubbelen' projecten zonder dat de supervisors dat van elkaar weten. Zo heeft een aparte stuurgroep lesmateriaal ontwikkeld voor het vak techniek maar ook de Stichting Leerplanontwikkeling. Den Ouden: “We zijn nog aan het inventariseren, straks gaan we de zaken stroomlijnen. Een ding weet ik wel: echt slecht met het basisonderwijs gaat het niet. Ouders, leerkrachten, ze zijn in feite heel tevreden.”

Maar het onderwijs dan? Twee jaar geleden nog stelde de Onderwijsinspectie vast dat het reken- en taalonderwijs wel degelijk te wensen overliet. Den Ouden zat in de commissie-Van Eijndhoven die aansluitend op zoek ging naar de oorzaken: “Dat kwam vooral door de formulering van het lesprogramma. De kerndoelen waren op aandringen van de vakmensen tot in het kleinste detail beschreven. Ik heb sterk de indruk dat de basisscholen worden doodgedrukt in de liefdevolle armen van het beleid.”

Maar moeilijker, beklemtoont Den Ouden, is de taak voor basisscholen niet geworden. “Je hoort mensen zeggen dat de samenleving ingewikkelder en veeleisender is geworden: kinderen en ouders met drugsproblemen; kinderen van asielzoekers; criminaliteit. Maar daar ben ik wat relativerend over. Ik lees op het ogenblik de dagboeken van meester Pancke, die begin deze eeuw onderwijzer was in Noord Brabant. Hij had geen vaste aanstelling, maar trok van de ene naar de andere school. Lopend, want openbaar vervoer was er niet. En waar hij als onderwijzer mee geconfronteerd werd: vader aan de drank; vader die werkloos raakt en thuis met zichzelf overhoop ligt; moeders die stierven en grote gezinnen achterlieten. En of stiefmama aardig was vroeg niemand zich niet af. De kinderen namen het wel mee naar school.”

Den Ouden: “Elke periode in een samenleving kent zijn problemen. Het onderwijs zal daarmee altijd geconfronteerd worden. Daar moet je niet van schrikken. Als je dat wel doet moet je het onderwijs niet ingaan. Punt. Het onderwijs functioneert niet in een vacuüm. Een ander punt is dat bij elk vraagstuk anderen altijd roepen: het onderwijs moet het oplossen. Dat is verkeerd. Daar zal ik me tegen te weer stellen.

“Je gaat in onderwijs omdat je in wilt spelen op veranderingen, om om te gaan met verschillen. Als mensen dat niet willen kom je uit bij character education. Dat is het heel strak opvoeden van kinderen in wat goed en slecht is. Het is zeer moralistisch, een trend in Verenigde Staten. Voor onze samenleving zou dat heel slecht zijn, denk ik. Tuurlijk: je steekt mekaar niet met een mes, maar het opvoeden tot heldendom zoals ze het daar noemen, daar krijg ik het Spaans benauwd van. Als een kind helemaal geen held wil worden, moet dat daar toch. Dan kweek je tegenstellingen, terwijl ik juist zeg: de tegenstelingen hoeven niet weg maar je moet er mee leren omgaan.”

Op de basisschool, vindt Den Ouden, draait het om kennis. Maar daar houdt het niet op: “Elk kind heeft kennis nodig om verdere kennis te kunnen verwerven. Het maakt je weerbaar als je snel kunt rekenen, want je ziet anderen fouten maken. En wie helder Nederlands spreekt krijgt zijn argumenten sneller over tafel. Maar waar komt een mens in de samenleving met alleen kennis? Je moet verdraagzaam met verschillen leren omgaan. Ik las over een school die bejaarden inzet. Als je kinderen zo in contact brengt met bejaarden, leer je ze iets extra's. Tegenwoordig hebben wij onze ouderen opgeborgen in een bejaardentehuis, dus zie je ze veel minder.”

School is bij uitstek de plaats om kinderen 'sociale intelligentie' bij te brengen, vindt Den Ouden. Zelf kreeg ze dat ook mee van haar school voor de Maatschappij tot Nut van het Algemeen in Bergen op Zoom. In opdracht van de leerkracht hielp ze, voorlijke leerling die ze was, een doof meisje en een 'langzame' jongen met lezen en schrijven - Weer Samen Naar School avant la lettre. “Dan leer je dat zo'n meisje anders praat omdat ze een gebrek heeft en ervaar je dat die jongen niet sneller kan. Je krijgt begrip voor hen, het brengt je respect bij. Het omgaan met elkaar vind ik nu ronduit slecht gaan in het onderwijs. Neem het voortgezet onderwijs: het VWO is toegankelijk voor iedereen, maar het beroepsonderwijs is dat niet. Kinderen uit kansrijke milieus worden op het plein uitgejouwd en uitgestoten omdat pa of ma dit of dat doet. Zulk groepsgedrag is slecht. Kinderen moeten leren dat elk mens zijn intrinsieke waarde heeft, ongeacht afkomst, plaats in de maatschappij, of intelligentie.”

Koudwatervrees

In de ogen van de procesmanager “valt of staat het onderwijs met degene die het geeft: de leerkracht”. De kunst is dat hij of zij elke leerling dat onderwijs geeft dat bij hem past, en daarbij niet zozeer uitgaat van gelijke kansen als wel van gelijke mogelijkheden. “Het begrip gelijke kansen vind ik een illusie. Het onderwijs is geen loterij. Het gaat om mogelijkheden van een kind die een leerkracht moet aanspreken. Het ene kind heeft op het technische vlak meer aandacht nodig, het andere kind moet je juist sociale intelligentie bijbrengen.”

Elke leerling zijn eigen 'onderwijs op maat': dat is Den Oudens adagium voor de komende vier jaar. Uitgedacht daarover is ze nog lang niet. Om te beginnen moeten scholen ouders schetsen hóe ze zulk onderwijs geven, vindt Den Ouden. Ze juicht daarom het voorstel van Netelenbos toe om scholen te verplichten het 'schoolbeleid' met cijfers, feiten en getallen te verantwoorden in een schoolgids. Sterker: “Als ik zelf schoolleider zou zijn, was ik er al mee begonnen. Scholen zelf zetten de hakken in het zand, maar dat vind ik koudwatervrees. Ze kunnen inzicht geven in resultaten die leerlingen behaalden voor een CITO-toets en die in verband brengen met de achtergrond van de leerlingen. Ze kunnen de leerlingengroei beschrijven en verklaren. Dat impliceert wel dat het management van een basisschool zijn zaken bedrijfsmatiger moet aanpakken dan vroeger.”

Volgens Den Ouden is het basisonderwijs 'het fundament'. “In dat opzicht is de basisschool heel belangrijk. Maar ik huiver te zeggen het meest belangrijk. Het hoger onderwijs is minstens zo belangrijk, omdat wij een land zijn dat van de grondstof kennis afhankelijk is. Maar door de strakke scheidslijnen vergeten we de verbanden te leggen. Misschien dat als de politiek eens uitgesproken is over de financiële kaders, ze het daar over kunnen hebben. Maar of dat haalbaar is in de vier jaar dat ik voorzitter ben? Welnee. Ik zal tevreden zijn als het beleid minder knelt, als scholen meer ruimte krijgen. Dus politiek: doe die armen even weg, laat ze even zelf.”