ELEKTRONISCH PUBLICEREN

De elektronische snelweg is de hype van onze hedendaagse samenleving. Wie niet langs deze verkeersader communiceert, loopt de kans als Neanderthaler te worden beschouwd. Elk zichzelf respecterend bedrijf of instituut creëert een home page op het Internet. In de virtuele wereld van het World Wide Web zijn in een paar jaar tijds alle denkbare menselijke interesses vertegenwoordigd.

Van de nieuwste sterrenkundige ontdekking tot het kleinste schilderstuk in het Louvre, van beursaandelen tot porno en hoererij. De mens is nu eenmaal knap en slecht tegelijk, en zijn elektronische weerspiegeling is navenant. Communicatie is het centrale concept. Hoe zit het nu met de oudste, systematisch gedocumenteerde communicatie die wij kennen, het wetenschappelijk publiceren? Heeft de vrucht van deze eeuwenoude ontwikkeling, het wetenschappelijk tijdschrift, nog toekomst? Verdwijnt het papieren artikel als sneeuw voor de digitale zon? Overleven de klassieke uitgevers het Internet? Het is ironisch dat het hele wereldwijde netgebeuren voortgekomen is uit de communicatiedrift van de wetenschappelijke wereld. Nog maar een paar jaren geleden waren de wereldwijde computernetwerken er vrijwel alleen voor het overzenden van bestanden en elektronische post ('e-mail'). De creatie in 1992 van Mosaic software (wederom vanuit de universitaire wereld) maakte het mogelijk complete teksten met figuren en complexe wiskundige formules over het net te 'transporteren'. Elektronisch publiceren was geboren. Vanaf dat moment neemt de spanning tussen de wetenschapsbeoefenaren (als schrijvers van publicaties) en de uitgeefwereld (als producenten van publicaties) toe. In vakgebieden met een snelle pols, zoals de kernfysica, worden de uitgevers als 'te sloom' beschouwd. Dan maar zelf aan de slag. In rap tempo worden door de onderzoekers vrij toegankelijke databanken met voorlopige publicaties (preprints) opgericht. De bestanden van internationale big science instituten zoals CERN (Genève) en SLAC (Stanford) leveren preprints al binnen een of twee dagen na het behalen van resultaten.

Haastige spoed is zelden goed, en de natuur corrigeert meestal de ergste gekkigheden. Zo ook hier, de overhaaste en massale communicatie stort in de valkuil van de kwaliteit. De essentie van het klassieke publiceren is immers inhoudelijke kwaliteitscontrole. Dat moet georganiseerd worden (het review-systeem), en de uitvoering ervan kost tijd. Hier ligt de expertise van de uitgevers, en het aanvankelijke één-nul voor Internet wordt één-één. Naast inhoudelijke is er technische kwaliteit. Auteurs zijn berucht slecht in het aanleveren van hun manuscript in de voorgeschreven vorm. Iedereen die redacteur van een bundel, tijdschrift of boek is geweest, kan er over meepraten. Auteurs kunnen nu nog smokkelen met een verbindingsteken in plaats van een 'echt' min-teken. Op papier of scherm zie je nauwelijks verschil, en meestal weet je wat er bedoeld is. Maar juist in het elektronisch universum gaat dit vroeg of laat helemaal mis. Bijvoorbeeld bij het zoeken van teksten met specifieke formules. In het snelle Internet-publiceren is het dus vooral de auteur die voor zichzelf zorgt. Maar de lezer, en vervolgens de bibliothecaris stellen andere eisen. In die wereld is de klassieke uitgever goed thuis. De mogelijkheid tot naspeuren en archiveren zijn in de wetenschap net zo cruciaal als het primaire communiceren. Het publicatieproduct moet dus ook in technische zin van de hoogste kwaliteit zijn. Wil het elektronisch publiceren voldoen aan deze eisen, dan is een veel strakkere standaardisatie van aangeboden manuscripten onvermijdelijk. Maar auteurs zullen in hun notoire slordigheid persisteren. 'Make-up' van het manuscript blijft hard nodig. En dit versterkt weer de positie van de uitgever. Eén-twee tegen Internet? In de wetenschapsbeoefening zijn auteurs en lezers ongeveer dezelfde groep. Een onderzoeker kan als auteur nonchalant, en als lezer pietepeuterig zijn. Maar het gaat uiteindelijk om de gunst van de lezer. Een recent Amerikaans onderzoek leert dat lezers van wetenschappelijke artikelen zowel de elektronische versie (die dan lokaal geprint moet kunnen worden) als de ouderwetse gedrukte versie ter beschikking willen hebben. Nu is het dus zeker één-twee tegen Internet. Waarom? Het blijkt dat naast zorg voor kwaliteit een tweede elektronische-snelweg-angst een rol speelt: stabiliteit. De lezer - ook al is hij of zij regelmatig zelf auteur - heeft geen vertrouwen in een alleen door auteurs onderhouden Internet-database voor publicaties. Want: wie garandeert dat de publicatie die je vandaag weer leest, en waar je nu naar wilt verwijzen, nog dezelfde versie is als toen je het artikel een maand geleden las? En dat niet een of andere gek er in heeft zitten rommelen? De lezer wenst naast kwaliteit ook betrouwbaarheid en stabiliteit.

De mens is niet alleen knap en slecht, maar ook nog degelijk. Daarom graag een perfecte elektronische kopie van het vertrouwde tijdschrift. Maar wel met alle 'infospace' extra's die mogelijk zijn. Want we zijn bovenal hebberig. En die extra's zijn zeer aanlokkelijk. Zoals het toevoegen van geluid of film als 'appendix' bij de publicatie. Het Internet kan daar het papier in ruime mate verslaan. De stand is nu twee-twee. De uitgevers moeten gaan uitkijken. De volgende stap in de jachtige elektronische info-evolutie laat niet lang op zich wachten. Met gezwinde spoed brengen uitgevers volledige tijdschriften op het World Wide Web. De belangrijkste verschillen zitten in die bovengenoemde extra's.

Niet bekend