Elektriciteit en concurrentie

Volgende maand behandelt de Tweede Kamer de Energienota waarmee minister Wijers (Economische Zaken) concurrentie in de energiesector mogelijk wil maken. Van die concurrentie zullen kleinverbruikers van elektriciteit en gas - in woningen en winkels - overigens nooit iets merken. Het energiedistributiebedrijf behoudt voor hen een monopolie. De mogelijkheid om de goedkoopste elektriciteit van de markt te kopen, zal slechts voorbehouden zijn aan grootverbruikers, die zelfs kunnen verkiezen om hun eigen stroom op te wekken. Tussen de vijftig en zestig procent van de elektriciteit die energiebedrijven leveren gaat naar de grootverbruikers.

Vanuit de energiesector is minister De Boer (Milieubeheer) onlangs verteld dat marktgerichte elektriciteitslevering vergaande gevolgen zal hebben voor haar beleid. Volgens de plannen van Wijers moeten de huidige vier Nederlandse elektriciteitsproducenten worden samengevoegd tot één bedrijf, dat groot genoeg is om op de Europese elektriciteitsmarkt te kunnen concurreren. Andere Europese producenten moeten met hun elektriciteit op de Nederlandse markt kunnen concurreren. Minister De Boer is voorgehouden dat in zo'n situatie het Nederlandse produktiebedrijf onder geen voorwaarde van plan is om meer milieumaatregelen te nemen dan buitenlandse concurrenten.

Bij de Nederlandse elektriciteitscentrales zouden de kosten zo laag mogelijk gehouden moeten worden om te voorkomen dat grote klanten weglopen naar buitenlandse leveranciers van elektriciteit, die goedkoper kunnen leveren omdat ze aan minder strenge milieu-eisen behoeven te voldoen. Vanuit de elektriciteitssector kan men zich permitteren om dit te zeggen. Bij een vrije elektriciteitsmarkt bestaat de mogelijkheid om de elektriciteitscentrale te bouwen in het land met de minst vergaande milieu-eisen. Een Nederlandse producent kan vanuit een centrale in Polen stroom leveren aan een Amsterdams gezin.

Bij de energiesector bestond de indruk dat minister De Boer geschrokken reageerde toen zij geconfronteerd werd met dit gevolg van de plannen van haar collega Wijers. Dat kwam goed uit, want in het uiteenlopende gezelschap met zeer diverse belangen dat zich bezighoudt met de opwekking en distributie van stroom, bestaat een variatie aan bezwaren tegen de energieplannen van minister Wijers. Minister De Boer kreeg vervolgens ook te horen dat concurrentie bij de stroomvoorziening gevolgen heeft voor het streven naar meer duurzame energieopwekking - zon, wind, waterkracht, biomassa en waterstof. Op het ogenblik bestaat één procent van de energieproduktie uit duurzame energie. Het is de bedoeling dat dit tien procent wordt.

Dit is alleen mogelijk als er geïnvesteerd wordt in nieuwe technologische ontwikkelingen. De elektriciteitsproducent die zo laag mogelijke kosten wil hebben om met het buitenland te kunnen concurreren, heeft er geen belang bij om hier honderden miljoenen guldens in te steken. Dus mag de overheid zelf geld steken in duurzame energieopwekking. Dat geld kan gehaald worden bij de verbruikers van elektriciteit. De enigen die er niet aan kunnen ontkomen om dit te betalen omdat zij niet de mogelijkheid hebben om zich tot buitenlandse concurrentie te wenden of om zelf stroom op te wekken, zijn de kleinverbruikers. Dat zijn ook degenen die sinds 1 januari van dit jaar de ecotax op hun energierekening vermeld zien.

In de energiewereld wordt er overigens op gewezen dat het een unicum zou zijn als minister Wijers zijn plannen ongeschonden door het parlement kreeg. Provincies en gemeenten hebben traditioneel een grote macht in de elektriciteitssector. Pogingen om gevestigde posities van zogenaamde elektriciteitsbaronnen aan te tasten zijn altijd geheel of gedeeltelijk mislukt. Staatscommissies zijn gestrand. In de jaren tachtig eindigde een poging om tot één Nederlands produktiebedrijf voor elektriciteit te komen in het compromis van vier bedrijven met als coördinator de N.V. Samenwerkende Electriciteits Produktiebedrijven (SEP) die geacht werd te handelen “als ware het één bedrijf”.

Nu zijn er aandeelhouders van energiedistributiebedrijven (gemeenten en provincies) die zich verzetten tegen de totstandkoming van één elektriciteitsproduktiebedrijf. Die gemeenten en provincies hebben daarmee te maken, omdat de distributiebedrijven op hun beurt aandeelhouders van de produktiebedrijven zijn. Tegelijkertijd ergeren de producenten zich aan de distributiebedrijven, die verweten wordt slechts de voordelen van concurrentie te willen genieten (goedkope inkoop van elektriciteit) en de financiële risico's geheel aan de produktie te willen overlaten. De produktiesector wil concurrentie, maar ook meer bemoeienis van de centrale overheid dan in de Energienota wordt bepleit.