Een schilderswoning teruggevonden; Het rijke leven van Abraham Bloemaert

Het Huis van Bloemaert, Centraal Museum, Agnietenstraat 1, Utrecht. T/m 28 april. Inl 030 - 2362362. Op de tentoonstelling is een routebeschrijving die langs het vroegere huis van Bloemaert voert. Op za 13 april verzorgen archeologen die de opgravingen hebben verricht rondleidingen van 13.30 t/m 16.30u.

Hij was rijker, beroemder en werd vele malen beter betaald dan zijn tijdgenoot Johannes Vermeer. Het Hollandse en Zweedse hof overstelpten hem met opdrachten, en de koningin van Bohemen en Pieter Paul Rubens zochten hem thuis op. Desondanks kennen tegenwoordig slechts weinigen het werk van de 17de-eeuwse schilder Abraham Bloemaert.

Wellicht brengt de tentoonstelling 'Het Huis van Bloemaert' in het Centraal Museum te Utrecht hierin verandering. De aanleiding voor deze expositie is opmerkelijk genoeg. Tijdens een recente opgraving door het Archeologisch en Bouwhistorisch Centrum van de gemeente Utrecht werd de woning van de schilder teruggevonden. De archeologen stuitten in de overblijfselen onder meer op zijn woonkamer, zijn potten, pannen, glazen en het houten speelgoed van zijn kinderen. Spectaculair was ook de vondst van drie vrijwel complete tegelvloeren uit het begin van de 14de eeuw, wat voor Nederland heel bijzonder is. “Maar Bloemaert zal deze vloeren zelf nooit gezien hebben”, meent stadsarcheoloog Huib de Groot. “Toen hij het huis kocht, waren de plavuizen allang onder houten planken verdwenen.”

De in Gorinchem geboren, katholieke kunstenaar Abraham Bloemaert (1566-1651) kocht het kolossale Utrechtse pand, dat ooit bewoond werd door kanunikken, in 1671 voor de lieve som van ƒ 3650,-. Op de koopakte staat te lezen dat het onroerend goed een ruim woonhuis omvatte met een zolderverdieping, een langgerekte aanbouw en een aantal verhuurde 'kameren' (kleine huisjes) op het achterterrein. In de woning, waar Bloemaert met zijn zoons en leerlingen werkte, kwam een groot deel van zijn oeuvre tot stand. Uiteindelijk zou hij er tot zijn dood blijven wonen.

Vanwege de unieke combinatie van archeologische vondsten, beeldende kunst en bouwhistorische details biedt de Utrechtse expositie een bijna voyeuristische blik op het leven van een succesvol kunstenaar uit de Gouden Eeuw. Vooral sommige voorwerpen uit Bloemaerts afvalput zijn fascinerend. Niet eerder konden de resten van een beerput uit de eerste helft van de 17de eeuw aan één bepaalde persoon worden toegeschreven. De inhoud is bovendien rijk.

Uit wat Bloemaert weggooide, bleek dat hij financieel weinig te klagen had. De archeologen vonden een grote hoeveelheid kostbare drinkglazen (meer dan honderd stuks), beschilderd faience-aardewerk, tinnen lepels en vijf uit Duitsland geïmporteerde Westerwald-kruiken (wat luxe betreft vergelijkbaar met Alessi-tafelgerei uit onze tijd). Uit een aantal scherven kon zelfs de kan worden gereconstrueerd die te zien is op Bloemaerts schilderij 'De Boerenvrouw' uit 1632. Treffend zijn verder een aantal houten afwasborstels die qua vormgeving nauwelijks afwijken van het bekende Lola-model.

Het best kun je de rijkdom van de man afleiden”, zegt De Groot, “aan het peperdure glasservies in de beerput en aan het feit dat er zoveel hout is teruggevonden. Normaal gesproken vond hout destijds altijd zijn eindbestemming in de open haard, als brandstof. Hier kon de heer des huizes het zich blijkbaar permitteren om het zomaar weg te gooien.”

Naast huishoudelijk afval worden in het Centraal Museum ook veertien schilderijen van Bloemaert getoond. Het betreft genrestukken en grote doeken met bijbelse thema's, mythologische voorstellingen en landschappen. Bovendien zijn een aantal prenten en tekeningen te bezichtigen, die zelden werden geëxposeerd, en misschien wel meer indruk maken dan de grote schilderwerken, die uiteindelijk nogal waren aangepast aan de toentertijd heersende internationale smaak.

Daarnaast is er een selectie uit het werk van zijn zoons en leerlingen, zoals Gerard van Honthorst, Hendrik ter Brugghen en Jan van Bijlert. Bloemaert gold immers als een van de belangrijkste leermeesters van zijn tijd, en wordt door hedendaagse kunsthistorici ook wel als 'de Vader van de Utrechtse School' omschreven.

De talloze leerlingen van Bloemaert woonden overigens niet bij hem in huis, iets wat in de 17de eeuw ongebruikelijk was. Het atelier bevond zich in de achterbouw van zijn woning. Hoe groot die werkplaats geweest moet zijn, weten de archeologen niet. Wel werd in het achterhuis een haard ontdekt die moet zijn gebouwd in de tijd dat Bloemaert hier met zijn leerlingen werkte. Zelfs de gebroken pijpjes die naast deze haard werden gerookt, zijn opgegraven. Kijkend naar de frêle ivoren staafjes kan men zich bijna voorstellen hoe Honthorst of Bloemaert hier als tevreden rokers terugkeken op een welbestede dag.

De resten van het huis zijn momenteel niet meer te bezichtigen in het Utrechtse. Op de plaats waar het heeft gestaan, worden nu luxe koopappartementen door de Antwerpse architect Bob van Reeth gerealiseerd. Deze heeft trouwens wel de originele vroeg-14de eeuwse tegelvloer en haard verwerkt in zijn nieuwbouwplan. Uit piëteit voor 'de geest van de plek', of wellicht eerder als hommage aan een bijzonder man, een interessant schilder en een beroemd Utrechter.