De kosmische knuffelcultuur van New Age

De aantrekkingskracht van het moderne esoterische denken is dat het alles begrijpelijk maakt, als onderdeel van een kosmisch proces. Maar verklaren doet het niets.

New Age Religion and Western Culture. Esotericism in the Mirror of Secular Thought. Door W.J. Hanegraaff. Proefschrift, Universiteit van Utrecht. 518 pp. Een handelseditie is in voorbereiding. Zaterdag 23 maart verschijnt dit artikel op de Webpagina's van NRC Handelsblad (http://www.nrc.nl), voorzien van 'hyperlinks' met extra uitleg en literatuurverwijzingen.

Wie in een New Age-boekwinkel wel eens langs de planken met literatuur over 'channeling', UFO's, dolfijnen, sjamanen, mystiek, en theosofie wandelt, valt al snel één overeenkomst op tussen de bonte esoterica: alles prikkelt de zucht om zich in mysteries te wentelen, eerder dan het intellectuele vernuft om er oplossingen voor te vinden. Chakra's, aura's, astrale sferen, LSD-reizen - het is allemaal meer fantasy dan wetenschap.

Vanachter een stapel van zulke boeken lijkt New Age, met zijn boodschap van 'heelheid', op een kosmische knutsel- en knuffelcultuur voor moderne individualisten. Een eigentijdse geruststellingsindustrie, bedoeld voor mensen die de wetenschap niet begrijpen of kunnen bijhouden, maar voor wie anderzijds de traditionele godsdienst ongeloofwaardig is geworden.

Het New Age-wereldbeeld zou je, vanuit dat perspectief, kunnen kenschetsen als parasitair en pervers. Parasitair, omdat New Age geen originele gedachten formuleert, maar zich voedt met ideeën uit enerzijds esoterische tradities en anderzijds de moderne wetenschap. Pervers omdat het 'onnatuurlijk' met die ideeën omspringt. Dat wil zeggen: ontdaan van de regels van verificatie en falsificatie (bij de wetenschap), en van hun historische context (bij het esoterisme). Zie het Indiase begrip karma, dat wordt gebruikt om een post-christelijke prestatiemoraal spiritueel aanzien te verlenen: je krijgt wat je verdient. Of de relativiteitstheorie van Einstein, die in versimpelde varianten opduikt om aan te tonen dat 'alles energie is', van het ontstaan van een supernova tot een vuistgevecht op de beursvloer van Tokio.

Zoiets geldt natuurlijk ook voor andere religieuze bewegingen en godsdiensten die sinds de zeventiende eeuw het hoofd boven water proberen te houden in een seculariserende wereld. Ook het christendom is tenslotte al een paar eeuwen zoet met de verwerking van het heliocentrische wereldbeeld en De Rerum Novarum. New Age zou dan kunnen worden opgevat als een gelijksoortige inhaalmanoeuvre van het niet-christelijke Europa. Na de Reformatie en het Tweede Vaticaans Concilie probeert nu ook het heidendom in het reine te komen met de moderne, verwetenschappelijkte wereld.

Langs die lijn wordt de New Age soms, uiteraard vooral door christelijke auteurs, opgevat als een neo-heidens monsterverbond van gnostische tradities - met als doel 'zelfvergoddelijking van de mens' - en de op beheersing en manipulatie gerichte technocratische cultuur, die voor elk pijntje een pleister heeft. “New Age is de zoveelste opleving van gnostiek in de westerse cultuur, en wel van een gnostiek die door de Romantiek bewerkt is”, aldus G. van Wersch in De gnostisch-occulte vloedgolf (1990). Andere auteurs zien in de New Age maar direct het werk van Satan.

Allesbehalve nieuw

Historisch gezien hebben deze christelijke auteurs een punt. New Age is allesbehalve nieuw, en evenmin 'oosters' zoals vaak wordt gedacht, maar een eigentijdse herinterpretatie van westerse esoterische tradities. Dat is een van de belangrijkste conclusies uit het werk van godsdienstwetenschapper Wouter Hanegraaff. Met New Age Religion and Western Culture. Esotericism in the Mirror of Secular Thought heeft hij een proefschrift afgeleverd van ongewone kwaliteit en internationale allure. Hanegraaff, op 30 november vorig jaar gepromoveerd aan de Rijksuniversiteit Utrecht, bestudeerde honderden geschreven bronnen, van H.P. Blavatsky en Jung tot Amerikaanse sterren als de actrice-schrijfster Shirley MacLaine. “Baanbrekend” is de Engelstalige dissertatie al genoemd door de Franse esoterisme-kenner Faivre , en zelfs “een nieuwe impuls voor de godsdienstwetenschap” in Nederland.

Die lof is nu eens niet overdreven. New Age Religion and Western Culture biedt in ruim vijfhonderd pagina's een glasheldere inventarisatie en analyse van een uitputtende hoeveelheid New Age-bronnen, gevolgd door een historische interpretatie die de New Age-beweging overtuigend herleidt tot haar westerse bronnen. New Age, concludeert Hanegraaff, is een creatieve herinterpretatie van de esoterische traditie, bezien door een moderne lens. Ondanks de kenmerkende spirituele en therapeutische bric à brac is er ook wel degelijk sprake van één beweging. Wat vrijwel alle vertakkingen van de New Age namelijk gemeen hebben is “een populaire westerse cultuurkritiek, uitgedrukt in termen van een geseculariseerd esoterisme”.

De cultuurkritiek richt zich op de twee 'dominante' hoofdstromen van de westerse cultuur: het dogmatische christendom, dat God van de mens heeft gescheiden, en de 'rationalistische' wetenschap, die de mens vervolgens ook nog van de buitenwereld heeft vervreemd. Beide hoofdstromen gaan voorbij aan de 'heelheid' van de werkelijkheid. Gezocht wordt daarom naar een derde weg, de gnosis, die kennis en geloof verbindt èn te boven gaat.

Hanegraaff laat overtuigend zien dat die esoterische derde weg van de New Age doortrokken is van het rationalistische wereldbeeld waaraan ze nu juist wil ontsnappen. Het gaat om een 'geseculariseerd esoterisme', zoals blijkt uit een aantal kenmerken van New Age-groepen: de oriëntatie op déze wereld (en niet op een hiernamaals), de nadruk op holisme en evolutionisme, de toepassing van psychologische begrippen op religieuze zaken en, omgekeerd, de 'sacralisering' van de psychologie (zoals de 'archetype'-psycholoog C.G. Jung), en tenslotte uit de verwachting van een wonderschone Nieuwe Tijd.

Deze benadering van Hanegraaff corrigeert allereerst een aantal populaire misvattingen, en nuanceert ook enigszins bovenstaande parasitair-perverse interpretatie. New Age afdoen als een terugkeer naar premodern bijgeloof is bijvoorbeeld te eenvoudig, evenals het idee dat het hier domweg gaat om irrationalisme. De New Age staat juist in een sterk tweeslachtige verhouding tot de moderne tijd. Enerzijds wordt de seculiere wetenschap bekritiseerd als 'reductionistisch' en wordt zeventiende-eeuwse filosoof Descartes verantwoordelijk gehouden voor alle ellende in de moderne, 'vervreemde' wereld. Anderzijds streeft de New Age voortdurend naar wetenschappelijke respectabiliteit, maakt ze enthousiast gebruik van natuurkundige inzichten, en heeft ze een vrijwel onbeperkt vertrouwen in technische innovatie.

Trefzeker

Ook Hanegraaffs historische interpretatie is trefzeker. Hij ziet de wortels van de 'New Age Beweging' in de tegencultuur van de jaren zestig. Dat was het decennium van leeglopende kerken, kritiek op de consumptiemaatschappij en herontdekking van niet-christelijke spiritualiteit. De tegencultuur die toen ontstond in de westerse samenlevingen keert met New Age nu terug als een spiritueel maakbaarheidsdenken: je kunt je eigen leven 'helen', en als we dat allemààl doen, komt het met de maatschappij ook wel goed. De New Age is - opnieuw typisch modern - uitgesproken optimistisch over de toekomst van de mensheid, die progressief evolueert naar de nieuwe tijd.

Verder terug in de geschiedenis legt Hanegraaff, evenals Van Wersch, een verband met de Renaissance en de Romantiek. Dat waren de grote bloeiperioden van het Europese esoterisme: neoplatonisme, hermeticisme, de occulte wetenschappen (astrologie, magie, alchemie) en kabbalistiek. Onder druk van de wetenschappelijke revolutie ontstond een religieus-esoterisch syncretisme dat zich verweerde tegen de rationalistische 'onttovering' van de werkelijkheid. Ook toen was het oogmerk niet zozeer de verwerping van het wetenschappelijke denken, maar de opname ervan in een 'heilige' kosmologie. Dat moest een kosmologie zijn die uitging van niet-causale 'correspondenties' tussen micro-en macrocosmos, een bezielde natuur, een gezamenlijke kern van alle religies (de philosophia perennis), een grote rol voor de verbeelding (in symbolen, rituelen) en de mogelijkheid van een 'alchemistische', innerlijke transformatie van het individu.

Een nieuw hoogtepunt bereikte dit achterhoedegevecht tegen de nieuwe tijd in de negentiende eeuw, met de Romantiek en een 'wetenschappelijk' occultisme, dat het causaliteitsdenken probeerde te incorporeren. Meest hybride product van het laatste was De Geheime Leer van de theosofe H.P. Blavatsky, over de kosmische evolutie, de ondergang van Atlantis en de menselijke 'wortelrassen'. De nieuwe evolutieleer, de vergelijkende studie van religies en de opkomst van de psychologie maakten het esoterici mogelijk religie steeds psychologischer te duiden, en omgekeerd de psychologie steeds 'sacraler' te maken. Hanegraaff wijst erop dat er sindsdien wezenlijk maar weinig is veranderd of toegevoegd aan het esoterisme, zodat New Age kan worden opgevat als “voetnoten bij de negentiende eeuw”.

Hoe beoordeelt hij nu zelf dit denken? Dat is een wat misplaatste vraag, want New Age Religion volgt een empirische methode: een oordeel over de waarheid, of het wetenschappelijk kaliber, van het onderzochte materiaal blijft achterwege. Laatdunkend of vijandig is Hanegraaff in elk geval nergens over New Age, en ook dat is wel eens aangenaam. Zijn analyse levert intussen wel het inzicht op dat in het hart van New Age een paradox schuilt. Als geseculariseerde esoterie is ze immers schatplichtig aan dezelfde cultuur waartegen ze zich afzet. New Age wil een nieuwe 'heiliging' van de werkelijkheid, maar is zelf juist een uiting van beheersings- en maakbaarheidsdenken.

Die dubbelzinnige verhouding van New Age tot de moderniteit verzwakt zowel haar aanspraak op wetenschappelijkheid (want wat heeft die met 'heiliging' te maken?) als de belofte van een nieuwe spiritualiteit (want wat is er spiritueel aan een levensbeschouwing die toch weer alles wil verklaren?) Tussen de regels door valt op te maken dat Hanegraaff persoonlijk vooral moeite heeft met dat laatste aspect van New Age. “New Age heeft de neiging ieder individu tot het centrum van zijn of haar symbolische wereld te maken”, schrijft hij “en de neiging het heil te zoeken in universele verklarende systemen die geen enkele existentiële vraag onbeantwoord laten, en die elk mysterie zullen vervangen door perfecte kennis.”

Je kunt je afvragen - buiten het bestek van dit boek - of die kritiek radicaal genoeg is. Welk mysterie verklaart New Age eigenlijk? De aantrekkingskracht van dit modern-esoterische denken is dat het alles begrijpelijk maakt, als onderdeel van een kosmisch proces, van het winnen van een hoofdprijs in de lotto tot de vroegtijdige dood van een partner. Maar het verklaart niets. Dat kan ook niet, want uiteindelijk begrijpt New Age evenmin als de vroegere esoterie wat wetenschap nu eigenlijk is. Wetenschap is geen 'wereldbeeld' - in tegenstelling tot New Age - maar een universele methode om toetsbare empirische kennis te vergaren. Dat veronderstelt een criterium om onderscheid te maken tussen subject en object, en tussen fantasie en feit.

Eerdere levens

New Age doet dat nu juist niet, en principieel niet. Dat blijkt in Hanegraaffs boek onder meer in zijn behandeling van het werk van LSD-onderzoeker Stanislav Grof. “Alles wat wordt ervaren als echt, moet daarom worden beschouwd als echt”, schrijft Hanegraaff over Grofs werk. “Op die basis wordt elk onderscheid tussen werkelijkheid en verbeelding onhoudbaar.” Inderdaad, en zoiets lijkt onvermijdelijk in een 'holistisch' wereldbeeld als dat van New Age. Men gelooft in eerdere levens omdat men zich die 'herinnert', en in geesten, omdat men die hoort spreken. New Age zal daarom nooit op gelijke voet komen met de wetenschap, laat staan die 'te boven gaan'.

Anderzijds is het ook de vraag of New Age voldoet als substituut voor een traditionele godsdienst. Want zoals New Age wetenschap wil 'spiritualiseren', zo 'seculariseert' ze godsdienst. Alles wordt op menselijke maat toegesneden, terwijl de grote religieuze tradities nu juist vooral de nadruk leggen op de 'nietigheid' van de mens tegenover de godheid of het Al.

Bovendien kent New Age geen kerk, geen dogmatiek, of een andere vorm van institutionalisering. Dat lijkt heel modern, maar wie weet, de recente revival van allerlei juist meer traditionele religiositeit - van islam tot evangelisch christendom en orthodox protestantisme - doet vermoeden dat juist weer behoefte is aan meer beginsel- of vormvastheid. De softe, tot niets verplichtende spiritualiteit van New Age heeft zijn beste tijd misschien alweer gehad.