Boek over etalages, ontwerpen en opvattingen van Benno Premsela; Aangenaam, maar niet bijzonder

Benno Premsela, een vlucht naar voren. Centraal Museum, Utrecht, ƒ 75,-.

In de jaren vijftig volstond een winkelier, laten we zeggen een handelaar in grutterswaren, met een onveranderlijke etalage waarin links een jute zak met bruine bonen was geplaatst en rechts een halfleeg gestorte zak grauwe erwten, terwijl de ruimte daartussen in beslag genomen werd door een stapeling van pakken havermout. De etalage toonde de produkten die binnen te koop waren, niets meer en niets minder. Het assortiment bleef goeddeels gelijk, reden om de uitstalling aan te passen was er niet.

Op die regel bestond tenminste één uitzondering: de etalages van De Bijenkorf. Kees Fens schreef daarover: “Hier werd voor het eerst geen koopwaar uitgestald, hier werd met behulp van dingen die in de zaak te koop waren, achter glas de geest van een tijd zichtbaar gemaakt.”

Van 1956 tot 1963 was Benno Premsela verantwoordelijk voor die dozen achter glas en wat hij daar aanrichtte verwierf zich zo'n faam dat hele gezinnen op zondag naar de binnenstad trokken om die etalages te bewonderen. Wie ze had gemaakt, was maar in kleine kring bekend; dát ze opmerkelijk waren (voorstellingen van een begerenswaardig leven), kon iedereen met eigen ogen constateren.

Premsela (Amsterdam, 1920) was binnenhuisarchitect, geen etaleur; zijn 'geheim' was dat hij de vitrine opvatte als een kamer, bij voorkeur spaarzaam ingericht. Hij was opgeleid aan de Nieuwe Kunstschool, minder een school dan een mentaliteit. Het was een particulier initiatief naar het voorbeeld van het Bauhaus dat maar een kort leven (1933-1943) leven was beschoren.

Hij had les gekregen van Bodon die hamerde op het belang van structuur in het ontwerp en hem wees op een boek over voorbeeldige ruimtebeheersing, Das japanische Wohnhaus. In zijn onderduiktijd was hij aangewezen op slechts één boek, Circle (1937), met een overzicht in woord en beeld van de toenmalige avant-garde: Picasso, Brancusi, Le Corbusier. Die drie elementen hebben hem gevormd: maatvoering, soberheid, modernisme.

Over Premsela is nu een boek verschenen, uitgegeven door het Centraal Museum te Utrecht, met een drietal artikelen over zijn leven (Betty van Garrel), over tijdloosheid (Erik Beenker) en over zijn werk (Marjan Unger), aangevuld met een chronologische schets in citaten van Leven, Werk en Bestuur alsmede een bibliografie. De vraag is alleen: waarom?

Benno Premsela is een bescheiden man (“Mijn talent is niet zo groot”), toen het idee voor het boek hem werd voorgelegd, wees hij het dan ook van de hand. Een boek over iemands leven en oeuvre is een grafsteen. Toch is nu verschenen: Een vlucht naar voren.

De ontwerp-opvattingen van Premsela zijn in drie punten samen te vatten: minder is beter dan meer, koelte beter dan opwinding, duurzaamheid beter dan vluchtigheid. Sympathiek maar allerminst opmerkelijk; het is het credo van Bauhaus en van het funktionalisme dat daaruit voorkwam. De grondslag is humaan en socialistisch: de smaak van de mens verheffen, het goede binnen ieders bereik brengen, de voorwerpen laten dienen en niet laten pralen.

Premsela houdt niet van 'de barok, van overdreven ornamentiek', is 'tegen status' en 'niet bezig mezelf te poneren in mijn produkten'. Dat maakt hem tot een modernist; van het postmodernisme moet hij niets hebben, “omdat ik er fascisme achter zie opduiken (...). Die façade, al die pomp, die uitdrukking van macht en geld”.

Het is gezien zijn achtergrond - socialistisch milieu, vervolging in de oorlog - begrijpelijk, maar het klopt niet. Hij ziet het postmodernisme als een ideologie, het Kwaad, en het modernisme als politiek neutraal, het Goede. Maar het een is natuurlijk evenzeer een ideologie als het ander. De ironie is hier dat al dat Bauhaus-meubilair van chroomstalen buis, glas en leer, ontworpen voor industriële vervaardiging met het oog op de democratisering van het interieur, na de oorlog bij uitstek de symbolen van macht en geld zijn geworden. Geen bank kan zonder; geen directeur doet het voor minder.

Als ontwerper is Premsela aangenaam maar niet bijzonder. Het beste functioneert hij (zoals hij ook benadrukt) in een team, waar andere talenten het zijne kunnen aanvullen. Als denker valt hij, zie boven, te verwaarlozen. Uitblinken doet hij in organiseren en besturen; weinigen zullen in zoveel besturen, raden, stichtingen, commissies en jury's hebben gezeten als hij. Premsela is een kunstpaus in de goede zin des woords, uit idealisme en niet uit een verlangen naar macht. Hij is een stimulator van de kunsten, een mecenas op bescheiden schaal. Kunst voedt niet alleen zijn leven, maar ook zijn werk. De invloed van bijvoorbeeld Ad Dekkers (van wie hij werk bezit, getuige een portretfoto door Mapplethorpe) op zijn ontwerpen is onmiskenbaar: de cirkel in het vierkant vormt zowel de basis van zijn spiegel, zijn plantenbak (cirkel in een doorsneden vierkant, de driehoek) en zijn gordijn-ontwerp.

Het boek zou er niet gekomen zijn als er alleen sprake was van de ontwerper Premsela en niet van de kunstpaus Premsela. (Daarbij is het slecht geredigeerd; het bevat nogal wat herhalingen en overlappingen.) De paradox is hier dat de man die de achtergrond zocht de publiciteit haalde; dat de man die de maatschappij wilde dienen daarmee macht vergaarde (of tenminste invloed); en dat het werk dat 'niet al te uitgesproken' mocht zijn, cultobject is geworden.

Benno Premsela heeft daarmee verkregen wat hij altijd heeft willen ontlopen: status.