Armenie-Nagorny Karabach; Op zoek naar doorbraak

De Amerikaanse president, Clinton, heeft deze week twee topdiplomaten naar Azerbajdzjan en Armenië gestuurd. Onderminister van Buitenlandse Zaken Strobe Talbott en Samuel Berger, plaatsvervanger van Nationaal Veiligheidsadviseur Anthony Lake, moeten de presidenten van beide landen ertoe brengen volgende maand eindelijk de oorlog om Nagorny Karabach te beëindigen.

Clinton gaat volgende maand naar Moskou. En het zou mooi zijn om bij die gelegenheid een eind te maken aan de al in 1988 uitgebroken oorlog in Nagorny Karabach. Die oorlog ligt de Amerikanen heel wat zwaarder op de maag dan de andere niet-opgeloste geweldsconflicten in de voormalige Sovjet-Unie, zoals de conflicten tussen Moldavië en Transnistrië, tussen Rusland en Tsjetsjenië, tussen Georgië en Abchazië of de oorlog in Tadzjikistan.

De bovengemiddelde Amerikaanse belangstelling voor de oorlog tussen Armenië en Azerbajdzjan heeft in de eerste plaats te maken met de invloed in de regio van Iran, dat etnische, religieuze en historische banden met Azerbajdzjan heeft, en in de tweede plaats met de grote olievoorraden - 3,5 tot 6 miljard vaten - voor de kust van Azerbajdzjan. Bij de winning van die olie zijn diverse Amerikaanse multinationals betrokken. De onopgeloste kwestie Nagorny Karabach is een van de obstakels voor de tenuitvoerlegging van de miljardendeal die de Azeri voor de exploitatie van hun olierijkdom met een internationaal consortium hebben gesloten.

Armenië en Azerbajdzjan raakten in 1988 slaags over Nagorny Karabach, een door een meerderheid van Armeniërs bewoonde enclave in Azerbajdzjan. De 150.000 Karabachse Armeniërs genoten binnen Azerbajdzjan formeel autonomie. Maar ze klaagden dat daar in de praktijk niets van terecht kwam en wilden zich aansluiten bij het moederland Armenië, waarvan Karabach door een smalle strook Azerbajdzjaans gebied gescheiden is. Na zes jaar van verbitterde gevechten, waarbij duizenden doden vielen (de schattingen variëren van 15.000 tot 50.000 doden) en een miljoen Azeri op de vlucht werd gedreven, werd de oorlog om Nagorny Karabach in mei 1994 'ingevroren' door een wapenstilstand. Op dat moment hadden de Karabachse Armeniërs niet alleen hun eigen enclave stevig in handen, maar bovendien twintig procent van het grondgebied van Azerbajdzjan veroverd. De Azeri-minderheid is uit Karabach verdreven.

Die status quo bestaat nog steeds. Inmiddels heeft Nagorny Karabach de onafhankelijkheid uitgeroepen: het neemt geen genoegen meer met de status van autonoom gebied binnen Azerbajdzjan. Maar geen enkel land erkent die onafhankelijkheid - zelfs Armenië doet dat niet.

Het overleg over vrede wordt gecoördineerd door de zogenoemde Minsk-groep, waarin vertegenwoordigers van twaalf landen zitten. In februari werd een voorlopig akkoord bereikt over een vredesmacht van vijf- tot zevenduizend man die in de regio moet worden gelegerd, onder auspiciën van de Europese veiligheidsorganisatie OVSE. Volgens de voorlopige afspraken nemen Europese landen en de VS deel aan die vredesmacht - hetgeen een precedent zou betekenen, omdat het de eerste keer zou zijn dat Europeanen en Amerikanen deelnemen aan een vredesmacht op het grondgebied van de voormalige Sovjet-Unie. Rusland was en is daar verre van gelukkig mee: het zou liever zelf die vredesmacht domineren, zoals het dat ook doet met de internationale vredesmachten in Tadzjikistan en Abchazië. Maar de Azeri voelen niets voor zo'n dominante rol voor de Russen: zij voelen zich toch al onder druk gezet door de pogingen van Moskou een grote vinger in de pap te krijgen bij de exploitatie van de Azerbajdzjaanse olie.

Volgens de afspraken krijgt Nagorny Karabach een autonomie die veel groter zal zijn dan die van vroeger en die neerkomt op de facto onafhankelijkheid - een formule die de Azerbajdzjaanse president Aliyev het gezicht zou redden. De Karabachse Armeniërs zouden al het bezette Azerbajdzjaanse gebied moeten ontruimen, met uitzondering van een corridor die hun gebied met Armenië verbindt, en alle wederzijdse embargo's en boycots - Rusland boycot Azerbajdzjan, Azerbajdzjan en Turkije boycotten Armenië - zouden moeten worden opgeheven.

Maar veel is nog onduidelijk, zoals de vraag wie voor de vredesmacht gaat betalen, hoe die wordt samengesteld, wie het opperbevel voert en hoeveel Russen er deel van gaan uitmaken. Bovendien eist Armenië dat de regering in Baku eindelijk akkoord gaat met directe onderhandelingen met de Karabachse Armeniërs en eist Azerbajdzjan van zijn kant dat de Armeniërs zich terugtrekken uit Susa, een stad in Karabach die vóór de oorlog een Azerbajdzjaanse meerderheid had, en uit de stad Laçin, die tussen Karabach en Armenië ligt. In ruil voor die aftocht zou Baku instemmen met een corridor tussen Karabach en Armenië.

Verder vormt de vraag of Turkse troepen gaan deelnemen aan de vredesmacht nog een probleem. Azerbajdzjan staat daarop, Armenië en Karabach zijn daar tegen. Baku eist verder de terugkeer van die één miljoen Azerbajdzjaanse vluchtelingen. Tenslotte houden de Karabachse Armeniërs twee jaar na de beëindiging van de strijd nog steeds Azerbajdzjaanse krijgsgevangenen vast wier vrijlating wordt geëist door zowel Baku als de Minsk-groep.

De Amerikanen hopen dat al deze punten door Strobe Talbott en Samuel Berger kunnen worden geregeld voordat Clinton volgende maand naar Moskou gaat. Hoeveel ruimte voor inschikkelijkheid er bestaat is echter zelfs de Minsk-groep onduidelijk. Daar houdt men er soms geheel verschillende standpunten op na over de voortgang van het overleg. Zo maakte op 29 februari de Finse co-voorzitter van de Minsk-groep, Heikki Talvitie, melding van “de mogelijkheid van een serieuze doorbraak in de naaste toekomst”, maar sprak de Russische co-voorzitter Valentin Lozinski op dezelfde dag van “vertraging” in het overleg.