Arbitrage voor meer dan vijftig handelsgeschillen; Handelsbelang VS botst met Canadese 'cultuur'

MONTREAL, 14 MAART. De Verenigde Staten en Canada hebben de grootste handelsrelatie ter wereld. Vorig jaar ging voor 400 miljard dollar aangoederen en diensten hun grens over. En Canada, in bevolking met een kleine dertig miljoen inwoners een tiende van de Verenigde Staten, vaart er wel bij.

Deze week bereikten echter wederzijdse beschuldigingen over schending van handelsregels een nieuw dieptepunt in de lange reeks handelsconflicten diemet het succes gepaard gaat. Sinds de ondertekening in 1988 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Verenigde Staten en Canada (drie jaargeleden met Mexico uitgebreid tot het Noordamerikaans Vrijhandelsakkoord ofwel NAFTA) is hun handel meer dan verdubbeld. Maar arbitragecommissies hebben zich tevens moeten buigen over ruim vijftig geschillen.

Kern van de meeste fricties is dat Canada zijn economische en culturele identiteit probeert te beschermen tegen Amerikaanse overheersing, terwijl de Verenigde Staten zich het recht voorbehouden Ottawa onder druk te zetten als iets hun niet bevalt. Zo besloot Canada eergisteren de Amerikaanse Helms-Burtonwet, gericht tegen onder meer Canadese bedrijven die zaken doenin Cuba, aan te kaarten bij een NAFTA-jury, en verklaarde Washington zich bij de Wereldhandelsorganisatie (WTO )te zullen beklagen over protectie in Canada's culturele sector.

De klacht van de VS betreft een belasting van tachtig procent opadvertentie-inkomsten van buitenlandse tijdschriften, die Ottawa eind vorig jaar invoerde als reactie op een Canadese editie van het Amerikaanseweekblad Sports Illustrated. Uitgever Time Warner “Canadiseerde” de editie door er een artikel of twee over ijshockey aan toe te voegen, maar de Canadese regering en uitgevers vinden dat het blad op een oneerlijke manieradvertentiedollars wegkaapt van kwetsbare binnenlandse tijdschriften.

Volgens Mickey Kantor, de Amerikaanse handelsafgevaardigde, maakt Ottawa misbruik van de uitzondering die de Canadese bedongen in NAFTA voor zijn 'cultuurindustrie'. “Hoewel Canada de zorgen over zijn tijdschriftenmarkt bestempelt als cultureel,” zei Kantor bij de bekendmaking van de klacht, “zijn de maatregelen tegen buitenlandse bladen in werkelijkheid gericht op de bescherming van Canadese commerciële belangen.”

“Voor ons is dit een culturele kwestie,” verdedigde de Canadese minister van handel, Arthur Eggleton, de belasting. “We zijn zeer open voor Amerikaanse cultuur, maar we proberen een klein deel van de markt voor Canadese bladen te bewaren.”

Met een overwinning willen de Amerikanen duidelijk maken dat ze ook andere protectionistische maatregelen onder het mom van bescherming van Canadeescultuurgoed niet dulden. Zo vond de vervanging op de Canadese kabel van hetAmerikaanse Country Music TV door een binnenlands alternatief ook geengenade in de ogen van Washington. In dat conflict leidde Amerikaanse dreiging met strafmaatregelen vorige week tot een akkoord, waarbij de Amerikanen eenaandeel in de Canadese zender krijgen. “Canada is nogal agressief op dit gebied en we vinden dat het nu maar eens afgelopen moet zijn,” aldus Kantor.Andere Canadese sectoren die Washington probeert open te breken zijn zuivel en pluimvee. Om aan de in 1994 gesloten wereldhandelsovereenkomst in het kader van de GATT te voldoen, heeft Canada zijn invoerquota in die sector omgezet in invoertarieven, variërend van 182 procent op kalkoen tot 351 procent op boter. Volgens de VS is dat in strijd met een afspraak in het Amerikaans-Canadees vrijhandelsakkoord om alle invoertarieven binnen tien jaar geleidelijk af te schaffen en geen nieuwe in te stellen. Washington hoopt zijn gelijk te halen bij een NAFTA-jury, omdat het NAFTA-verdrag zichzelf bovengeschikt verklaart aan andere internationale handelsverdragen.

Canada bevindt zich in een lastig parket - gebonden aan schijnbaartegenstrijdige internationale handelsafspraken - en beschuldigt de VS van misgebruik van NAFTA: “De VS proberen via dit geschil toegang te krijgen tot de markt voor agrarische produkten, die ze niet kregen via onderhandelingen,” aldus een verklaring uit Ottawa. Volgens David Orchard, voorzitter van 'Burgers Bezorgd over Vrijhandel' in Saskatoon, tonen beide Amerikaanse klachten aan dat “we meer last hebben gehad met de VS sinds het vrijhandelsakkoord werd getekend dan ervoor.”

De recente afloop van een langdurig conflict in de houtindustrie heeft Orcharder bovendien van overtuigd dat zelfs als de Canadezen gelijk hebben, ze het van Washington niet kunnen krijgen. Inzet van het geschil om hout, Canada's op twee na grootste exportprodukt met vorig jaar een uitvoer ter waarde van 8 miljard dollar, was het Canadese aandeel in de Amerikaanse markt. Tussen 1991 en vorig jaar steeg dat van 27 tot 36 procent, een doorn in het oog van de houtproducenten in de VS. Zij beschuldigden Ottawa van oneerlijke subsidies, maar werden drie maal door arbitragecommissies in het ongelijk gesteld. De Amerikanen veranderden daarop hun wet op invoerrechten en dreigden met een handelsoorlog, een risico dat zowel de Canadese regering als de houtproducenten niet wilden lopen.

In ruil voor vijf jaar handelsvrede zullen zij vanaf 1 april hun uitvoer naar de VS “vrijwillig” beperken. “De Amerikanen kunnen altijd genoeg druk uitoefenen om het ons moeilijk te maken,” zegt Michael Hart, directeur van het Centrum voor Handelspolitiek en Recht van de Carleton universiteit in Ottawa. “Dat is de prijs die we betalen voor het leven naast een supermacht.”

Vrijhandel en arbitrage ten spijt, de alledaagse werkelijkheid is en blijft dat Canada zich bij conflicten in de rol van David bevindt, die het moet opnemen tegen de Amerikaanse Goliath. Ook in een graanconflict twee jaar geleden gaf Ottawa toe aan druk vanuit Washington, nadat een arbitragecommissie unaniem had geoordeeld tegen een Amerikaanse beschuldiging van oneerlijke subsidies. Toen kwamen er boerenblokkades tegen Canadees graan aan te pas, voordat Canada akkoord ging met een uitvoerplafond van een jaar.

“Het arbitragesysteem van NAFTA wordt niet gerespecteerd door de VS,” zo tonen de hout- en graankwesties volgens Maude Barlow, voorzitter van de Raad van Canadezen in Ottawa, aan. “De jury's sprekenzich uit over de vraag of lidstaten in overeenstemming met de wet handelen.Is het oordeel van niet, dan veranderen de Amerikanen simpelweg hun wet.” Volgens Barlow zullen wegens dit verschijnsel “steeds meer Canadezen zichgaan afvragen waarom we aan NAFTA meedoen.”

Brian Russell, voorzitter van de Groep Noordamerikaanse Politiek van de Dalhousie universiteit in Halifax, redeneert anders: “Ondanks het feit dat we in de houtkwestie niet precies kregen wat we wilden, was onzeonderhandelingspositie beter omdat we een reeks jury-uitspraken achter onshadden die ons gelijk gaven en de Amerikanen ongelijk. Wie verwachtte datwe opeens alle zaken zouden winnen omdat we een arbitragesysteem hebben,houdt zichzelf voor de gek.”

Ook Ottawa heeft het arbitragesysteem van NAFTA niet afgeschreven en zal, zoals eergisteren aangekondigd, met een nieuwe zaak de internationale oppositie aanvoeren tegen de Amerikaanse Helms-Burtonwet over relaties van andere landen met Cuba. Uitspraken van senator Jesse Helms dat “Canada zich moest schamen” voor zijn handelsrelatie met Cuba, die hij vergeleek met collaboratie met de nazi's, hebben Canada verontwaardigd. Ottawa denkt zijn aanval te richten op het wetsartikel dat de VS zakenlieden die handeldrijven met Cuba de toegang tot het land kan weigeren. Dat zou niet strokenmet een artikel in het NAFTA-verdrag. “Voorheen konden we weinig anders doen dan eenzijdige Amerikaanse actiesafwachten,” besluit Russell. “Nu hebben we meer kans op succes.” Een vande voordelen van het huidige arbitragesysteem is volgens hem “dat we ietsminder hoeven te leren leven met het feit dat de Verenigde Staten tien maalzo groot zijn dan wij.”