Vijftien jaar na Vredeling: ING heeft Euro-OR

De eerste Europese ondernemingsraad bij een Nederlands concern is eindelijk een feit. Ruim vijftien jaar nadat de Nederlandse oud-politicus Henk Vredelink als Europees Commissaris voor sociale zaken een ontwerp indiende voor Europese medezeggenschap kondigde bankverzekeraar ING Groep vorige week de instelling van een eigen Euro-OR aan. Ook bedrijven als Philips, Akzo Nobel en Unilever overleggen over de vormgeving van zo'n internationaal medezeggenschapsorgaan. Vakbonden klagen over het lage tempo van de besprekingen èn over het feit dat er voor hen formeel geen plaats is aan de onderhandelingstafel.

Toen de Europese Commissie bijna twee jaar geleden - in het voorjaar van 1994 - een akkoord bereikte over een richtlijn voor grensoverschrijdende medezeggenschap, werd er bij de Nederlandse vakcentrales een feestje gevierd. Het jarenlange verzet van de Europese werkgevers, verenigd in de overkoepelde organisatie Unice, tegen de Euro-OR was gebroken. Daarmee was eindelijk de weg vrijgemaakt om de mooie uitspraken van het Maastrichtse Sociaal Protocol in de praktijk om te zetten. “Als je vanuit de 21ste eeuw op deze periode zou terugkijken, zou de Europese richtlijn voor de Euro-OR wel eens één van de belangrijkste richtlijnen voor een goed sociaal beleid kunnen zijn”, zei FNV-bestuurder Ieke van der Burg vorig jaar in het Praktijkblad voor Medezeggenschap.

De Nederlandse vakbonden zien de Europese ondernemingsraden vooral als middel om meer zicht te krijgen op de grensoverschrijdende activiteiten van multinationale ondernemingen als Akzo Nobel en Unilever. In het (nog niet zo verre) verleden bestonden grote Europese concerns vooral uit nationaal geörienteerde bedrijven. Dat betekende bijvoorbeeld dat in ieder land waar de onderneming produkten wilde verkopen ook de bijbehorende fabrieken werden gevestigd. Zowel op het gebied van marketing en produktie als dat van personeel voerden de landenorganisaties veelal een autonoom beleid.

Onder druk van de Amerikaanse en de Aziatische concurrentie - die Europa vanaf het begin als één gebied beschouwden - zijn ook de meeste Europese bedrijven overgestapt op een beleid om activiteiten grensoverschrijdend te integreren. Fabrieken worden samengevoegd, marketingcampagnes worden vanuit een centraal punt opgezet, distributie-activiteiten worden uitbesteed aan één internationaal werkende vervoerder.

Voor de werknemers in de verschillende landen is het inmiddels daardoor heel lastig geworden om greep te houden op het ondernemingsbeleid. Inspraak mag op papier goed geregeld zijn, wanneer de eigen werkgever de verantwoordelijkheid voor alle beslissingen bij het elders gevestigde hoofdkantoor kan leggen, blijft daarvan in de praktijk niet veel over. Bovendien kampen de nationaal georganiseerde vakbonden en ondernemingsraden met een forse informatie-achterstand: vanuit Nederland is het moeilijk in te schatten wat de gevolgen zijn van een overname in, zeg, Spanje of Denemarken voor de Nederlandse activiteiten.

De Europese ondernemingsraden moeten er toe bijdragen dat in ieder geval op het gebied van informatie-uitwisseling vooruitgang wordt geboekt. Anders dan oud-Europees Commissaris Vredeling voor ogen stond, hebben werkgevers niet de plicht gekregen om de Euro-OR bij belangrijke besluiten om advies te vragen.

Wel moeten zij de leden van de Euro-OR op de hoogte houden van belangrijke aangelegenheden die òf het hele concern òf vestigingen in verschillende landen raken. Daarbij gaat het bijvoorbeeld om fusies, verplaatsing van activiteiten, inkrimping of sluiting van vestigingen.

Hoe de Europese ondernemingsraden er uit zullen zien, staat nog niet volledig vast. Op last van Brussel moeten alle nationale overheden uiterlijk per 22 september 1996 met eigen wetgeving komen met betrekking tot de Euro-OR. Tot aan die tijd hebben werkgevers de mogelijkheid om zelf met werknemers overeenstemming te bereiken over de vormgeving van een dergelijk orgaan. Die afspraken blijven dan gelden, ook wanneer ze niet volledig overeenstemmen met de eisen die de wet straks stelt.

De verplichting om een Euro-OR in te stellen (wanneer het personeel daarom vraagt) geldt voor ondernemingen die duizend of meer werknemers in de Europese Unie tellen en die in ten minste twee lidstaten vestigingen hebben (met minimaal 150 werknemers). De bedrijven moeten zich houden aan de nationale wetgeving van het land waar hun Europese hoofdkantoor is gevestigd. Dat geldt niet alleen voor Europese, maar ook voor bijvoorbeeld Amerikaanse of Aziatische concerns.

Tot nu toe heeft het Nederlandse bedrijfsleven zich nog niet het vuur uit de schoenen gelopen voor een eigen Europese ondernemingsraad. De verwachting is wel dat de meeste werkgevers zullen proberen om voor eind september binnen de eigen onderneming hierover afspraken te maken. De vakcentrale FNV heeft berekend dat van de circa 1200 ondernemingen die onder de Europese richtlijn vallen er ongeveer negentig hun hoofdzetel in Nederland hebben. Daarnaast zijn er in Nederland naar schatting 800 vestigingen van Euro-OR-plichtige concerns met een hoofdzetel buiten Nederland.

Hoewel de Europese vakbonden de afgelopen jaren het zwaarst geijverd hebben voor de invoering van de Euro-OR is er voor hen in deze organen formeel geen plaats ingeruimd. De Europese richtlijn laat de kandidaatstelling over aan de werknemersvertegenwoordiging in de verschillende lidstaten, maar laat in het midden of dit de nationale ondernemingsraden of de vakbonden moeten zijn. In verschillende lidstaten hebben de vakbonden al gedreigd met een boycot van de Euro-OR wanneer de werkgevers weigeren de bonden bij de onderhandelingen toe te laten.

Ook de vakcentrales FNV en CNV zien een belangrijke rol voor de vakbonden. Minister Melkert (Sociale Zaken) heeft echter al laten weten dat in de Nederlandse wetgeving straks de hoofdrol is weggelegd voor de ondernemingsraden. Alleen in bedrijven waar geen ondernemingsraad aanwezig is, kunnen vakbonden wat hem betreft een rechtstreekse rol spelen bij de kandidaatstelling voor de Euro-OR.