Stad van stegen

Venetië dankt zijn ontstaan aan het simpele feit dat de volksverhuizende Gothen en Hunnen en hoe ze maar geheten mogen hebben niet zo goed overweg konden met water; het waren paardrijders. Toen ze eraan kwamen, voeren de protovenetianen hun lagune in en begonnen te bouwen op al die modderige eilanden waar tot dan toe nog nooit gewoond was.

Aan die ontoegankelijkheid voor paardrijders en hun historische opvolgers de automobilisten, plus nog een paar dingen, dankt de stad nog altijd zijn bedwelmende schoonheid. Het is de stad van het zachte geklots en van de luid opklinkende voetstappen en stemmen. Hier kun je de lopende mens (m/v) bestuderen, zijn tred en zijn gang, zijn wijze van hoek omslaan en passeren, en ook de stijlen van het staande of in het voorbijgaan gevoerde gesprek.

Door de grote hoeveelheid pleinen in alle maten en soorten, en door het alomtegenwoordige prachtige en beroemde water, denken we er misschien niet zo snel aan, maar Venetië is vooral ook een stegenstad. Het is de enige Europese stad van aanzienlijke omvang waar het middeleeuwse stratenplan om en nabij intact is gebleven. “Meestal kan men de breedte van de straat met uitgestrekte armen geheel of bijna meten, in de smalste straatjes stoot men reeds met de ellebogen tegen de muren, wanneer men de handen in de zij zet”, schreef Goethe in zijn Italienische Reise. In 1786 was dat nog zo; en ook tweehonderd jaar nadien is het nog steeds zo.

Nou ja, stratenplan? Het woord alleen al lijkt in het geval van Venetië van een fantastische misplaatstheid. Alles kronkelt, een rooilijn is er nauwelijks, driekwart loopt dood. Het is in het algemeen onmogelijk, recht op je doel af te gaan. Iedere toerist ondergaat vroeg of laat de sensatie, verdwaald te zijn volgens een van de twee specifiek Venetiaanse varianten: of je loopt dood op het hekloze, kadeloze, arcadeloze, sottoportecoloze water; of je staat zonder voorafgaande waarschuwing op een of ander binnenplaatsje, met het hoofd in de nek omhoog te staren naar de hemel recht boven je.

Het bord 'doodlopende weg' kent de stad niet. Venetië weet zichzelf een en al doodlopende weg. Een mens moet er eigenlijk ook niet lopen. Want lopen is een beetje behelpen. Dat doen de toeristen. Of de Venetianen zelf, als ze willen winkelen of flaneren of onderweg zijn naar hun praatplein S. Bartolomeo, waar ze rond het standbeeld van Goldoni staan, met een paar honderd, zoals je in Amsterdam 's zomers op het Spui bij Hoppe en Swart ziet. Maar de Venetianen, dat is het mooie, staan daar zo maar, niet geholpen door drank of andere consumpties, in voornaam en levendig gesprek waarvoor precies één uur bestemd is. Kom je eerder of later, dan is het plein alleen een plek die overgestoken wordt.

Wie echt werkt, die vaart. De vuilnisman vaart, de postbode vaart, de groenteboer vaart, de timmerman vaart, de ambulance vaart, de begrafenisondernemer vaart. Af en toe, dat is waar, moet men even aan land om het lijk, de zieke, de balken, de radijsjes, de brieven, het vuilnis te bezorgen danwel op te halen. Daartoe heeft men dan de beschikking over allerlei hulpmiddelen waaronder handige steekwagentjes op rubberen wielen die achterstevoren de brugtreden nemen. Het is geen stad voor invaliden.

Maar terug naar de toeristische voetganger, die zijn verbijstering over deze speelgoedstad waar toch echte mensen wonen nooit helemaal zal kunnen kwijtraken. Hij wil naar dit of dat restaurant, hem door vrienden aanbevolen. Hij zoekt het op in de telefoongids. Daar staat dan bij wijze van adres een 'sestier', een stadswijk. Bijvoorbeeld Cannareggio, plus een vaak onwaarschijnlijk hoog nummer, bijvoorbeeld 5512. Maar dat nummer geeft verder geen enkele indicatie van waar je dan moet wezen; het nummer is de speld in de hooiberg van de wijk.

Die nummers, dat is waar, zijn met fraaie sjablooncijfers op het stucwerk van de huizen geschilderd, en ze gaan met één tegelijk omhoog of omlaag. Want even en oneven, daar doen ze niet aan. Verder staat er nabij bruggen die de ene wijk met de andere verbinden altijd een dramatische mededeling, luidend: laatste nummer van die en die wijk. Bij voorbeeld: ultimo numero del sestier Cannareggio. Maar erg informatief is dat allemaal niet. Verrassend genoeg grijpt een Venetiaan die zelf ook geen flauw benul heeft waar Cannareggio 5512 is, direct de telefoon om aan de aldaar woonachtige of werkzame telefoonopnemer de straatnaam te vragen. Want die is er wel, maar staat nu eenmaal geheel los van voornoemd adresseringssysteem volgens wijk.

Misschien zou er met een stad als Venetië ook geen beginnen aan zijn, en de winst van vernieuwingen hoe dan ook tamelijk gering. En toch, dezelfde Napoleon die ons land en onze steden administratief de vorige eeuw in geholpen heeft, maakte ook een eind aan de onafhankelijkheid van de republiek Venetië. Het blijft een beetje raadselachtig. De Italianen houden wat minder van stroomlijnen en uniformering, laten we het daar maar op houden. In Rome staat het vol met oude huizen zonder brievenbus, waar de postbode er niet tegen op ziet om dagelijks even aan te bellen. Nederland, met die gruwelijke brievenbussen aan de openbare weg, is het andere uiterste.

Ik ben een beetje afgedwaald misschien, maar dit is een soort onderwerp dat me nogal interesseert. Zelf ben ik behoorlijk slecht in oriëntatie. In mijn wijde omgeving is er maar één persoon te vinden die het nog beroerder doet dan ik. Ik loop gewoon mee met degene in wier of wiens gezelschap ik verkeer; die kan het meestal heel goed. En ik vind verdwalen, zeker als ik de tijd aan mezelf heb, niet erg. Hoe mensen zich vroeger, in al die niet of slecht geplaveide steden, met hun niet of slecht verlichte straten en pleinen, waarop zelden of nooit een bord was aangebracht - hoe ze zich in het huisnummerloze voornapoleontische tijdperk in vredesnaam oriënteerden, dat zou ik graag weten. Ze moesten veel scherper op de concrete stad letten, denk ik, en konden zich minder dan wij verlaten op symbolische en talige aanwijzingen. Mocht iemand een geschiedenis van de oriëntatie kennen, die ook voor deze kleinste schaal belangstelling kan opbrengen, ik houd me aanbevolen.

Plattegronden bestaan er nog niet zo verschrikkelijk lang, in elk geval niet in de enorme omvang van het twintigste-eeuwse toerisme. Het drukwerkje, al dan niet deel van de gids die nu zo nonchalant uit onze zak steekt, was in de tijd van de 'grand tour' gewoonlijk nog een heuse persoon. Al zie ik tot mijn verbazing dat Goethe in zijn reeds genoemde reisbeschrijving met een plattegrond door de stad loopt. Maar hij schrijft mij net iets te nadrukkelijk over het 'dwalen zonder gids' om te kunnen aannemen dat zijn handelwijze al erg gebruikelijk was.

Mijn gezelschap en ik hadden het genoegen, wanneer we met ons hoofd uit het raam van de hotelkamer gingen hangen, meteen aan het water te zijn. En dan nog wel het water dat een eindje verderop overspannen werd door geen geringere brug dan de Brug der Zuchten. Het was daar tot laat in de avond een komen en gaan van de wijd en zijd beroemde Venetiaanse vaartuigen die worden voortbewogen door een staande roeier met één riem.

Degenen die wij daar onder ons steevast in de gondels zagen zitten - terwijl het behoorlijk koud was, net boven nul; maar ook uitzonderlijk helder, je kon de Dolomieten in de verte vlijmscherp en nog royaal met ijs bedekt zien liggen - degenen dus die wij in die zonder ophouden langsvarende gondels zagen zitten, glimlachend en steevast in het gezelschap van mannen met accordeons zowel als zangers, waren geen enkelvoudige Europese buitenlanders zoals wij zelf, maar dubbele buitenlanders. Het waren Japanners. Ik heb wel eens gehoord dat ook deze eilandbewoners, in elk geval waar het om hun eigen hoofdstad Tokyo gaat, in een voor de westerling ondoorgrondelijk stadsplan wonen waar men ook mèt plattegrond niet uit de voeten kan. Dit dank zij een adresseringssysteem dat bedoeld lijkt om de buitenstaander duurzaam op maximale afstand te houden.

De Japanners losten dus met behulp van gondels al hun problemen in één klap op. Zij hoefden zich überhaupt niet te oriënteren, keken om zich heen en luisterden naar het gezang. Ik heb hen een beetje benijd om hun onbekommerde vreemdelingschap dat zij, uiteraard tegen gerede betaling, zich zo vanzelfsprekend lieten fêteren.