Rassenleer hoort bij Steiners filosofie

Onder antroposofen is onenigheid ontstaan over de rassenleer van grondlegger Rudolf Steiner. Sommigen beschouwen die als een 'slip of the pen' en proberen de antroposofie ervan te ontdoen. Een vergeefse onderneming, meent J.D. Imelman. Steiners rassenleer hangt ten nauwste samen met de rest van zijn filosofie.

Het is weer zover: Rudolf Steiners rassenleer staat ter discussie. De media halen uitspraken aan die een toonaangevend antroposoof, Christof Wiechert, deed in een radioprogrammma over de antroposofische rassenleer. De strekking van zijn woorden was dat hij het zwarte ras een psychische habitus toeschrijft die vergelijkbaar is met de psychische ontwikkeling (tot zeven jaar) van het jonge blanke kind.

Deze stellingname is niet nieuw. In ieder geval weet ik nog goed dat halverwege de jaren tachtig, onder andere na het verschijnen van publicaties van ons over de Vrije School, de antroposofische rassenleer eveneens onderwerp van gesprek is geweest in de media. Tóen werd, anders dan nu, door antroposofen van Steiners wonderlijke gedachten geen afstand genomen. Men sloot eenvoudig de rijen, wat onder meer bleek uit een gezamenlijke actie van zowel de voorzitter van de Antroposofische Vereniging als die van de Vereniging voor Vrije Opvoedkunst - onder auspiciën waarvan de Vrije Scholen opereren. Zij benaderden destijds, in 1986, de uitgever Elsevier om te verhinderen dat zij een boek over 'De Nieuwe School', met daarin een beschrijvend maar ook kritisch hoofdstuk over de Vrije School, zou publiceren.

Dat men destijds geen afstand nam van de rassenleer en beducht was voor een publieke bespreking ervan, vond (en vind) ik logisch en vanzelfsprekend. Immers, Steiners leer is niet zomaar een slip of the pen, noch een theorie die men met een korreltje zout kan nemen omdat ze beschouwd zou kunnen worden als een typisch product van de 'geest van zijn tijd'. Alles wat Steiner zegt over raskenmerken staat in direct verband met zijn reïncarnatieleer en is bovendien in overeenstemming met zijn waarnemings- en kennisfilosofie. Dat geldt trouwens voor veel meer vreemde uitspraken, zoals bijvoorbeeld die over het gevaar dat een zwangere vrouw loopt als ze De hut van Oom Tom zou lezen, of als ze te veel zwarte mensen zou tegenkomen - namelijk: dat haar kind negroïde trekken zou kunnen krijgen.

Kort gezegd komen Steiners leerstellingen over ras en incarnatie hierop neer. In zijn voor niet-antroposofen nog redelijk toegankelijke boek Die Philosophie der Freiheit (1894), verdedigt Steiner de these dat onze noties en ideeën afkomstig zijn van een transcendente, bovenzinnelijke wereld van hogere 'geestelijke wezens'. Deze ideeën zijn de grondstof van het denken. Denken is iets bijzonders: het is niet zozeer dat individuen denken, doch eerder dat 'het denkt' in individuën. Wij délen als het ware in Het Denken. Niet ieder van ons deelt daarin echter op dezelfde manier: er zijn insiders (de 'ingewijden') die een betere toegang tot Het Denken hebben dan anderen.

Gedurende het eeuwige leven van de individuele geesten, die om de ongeveer acht eeuwen incarneren in 'op stapel staand' nieuw leven, worden meer en meer mogelijkheden geschapen voor het ontdekken van hogere inzichten. De spirituele wijsheid van individuele geesten cumuleert dus in de loop van de menselijke geschiedenis. Tijdens een aardeleven van zo'n individuele geest kan opvoeding iets toe of af doen aan de mee-geïncarneerde wijsheid. Steiners opvoedings- en onderwijsleer neemt dan ook een cruciale plaats in binnen zijn filosofie. Antroposofen die iets van Steiner niet snappen, kunnen dan ook in gemoede zeggen dat ze nog heel wat incarnaties hebben te gaan voor aan hen Steiners diepzinnigheden geheel geopenbaard worden.

Om het verband met de antroposofische rassenleer te kunnen leggen moet men weten dat Steiner diverse soorten engelen aanvoert ter verklaring van het bestaan van de kenmerken van volkeren (met een hun typerende volksgeest) en rassen die leven binnen een hun passend geografisch gebied - Steiners versie van de bloed-en-bodemideologie. Die engelen zijn in de loop der wereld- en mensheidsgeschiedenis een verbintenis aangegaan met de mensen die leven op een bepaald stuk aarde. Dat is steeds een gebied waarvan de fysieke gesteldheid geschikt is om met de geestelijke eigenschappen van deze bepaalde 'volksengel' een relatie aan te gaan. Dank zij deze bijzondere relatie tussen een engel en een (aarde)gebied krijgt een daar levend volk zijn bijzondere identiteit. Andere bewegingsgeesten (engelen) zorgen voor de identiteit van het ras.

Al met al blijkt Steiners conceptie een beeld van de geschiedenis te bevatten waarin sprake is van een evolutie van het fysieke, het sociale en het psychische. Zo doorloopt, dank zij weef- en dansactiviteiten van kosmische geestwezens, de aarde een saturnus-, zon- en maanfase. De mensheid doorliep een daaraan verwante historie: de saturnusfase schiep haar wil, de zonfase haar gevoelsleven, de maanfase haar denken. Deze fasen herhalen zich op het persoonlijke vlak: tussen nul en zeven jaar krijgt het kind zijn fysieke uitrusting en wil, tussen zeven en veertien wordt het gevoel gevormd (en het geheugen), tussen veertien en eenentwintig het denken. Parallel aan deze persoonlijke ontwikkeling (ontogenese) doet zich een hiërarchie van rassen voor. Het zwarte ras wordt bepaald door de psychische kenmerken van het nul- tot zevenjarige kind, het aziatische ras door jeugdkenmerken (gevoels- en geheugenfuncties), het blanke ras bevindt zich in de denkende fase van de ontwikkelingsgeschiedenis van het menselijke wezen. Met het indiaanse ras liep het slecht af: de fase van het (uit)sterven volgt nu eenmaal noodzakelijk op de overige fasen.

Bij dit alles moet steeds bedacht worden dat de geesten die zich eens in de zoveel tijd reïncarneren, in principe hun weg zoeken in overeensteming met hun geestelijke kwaliteit op het moment van hun intree in een lichaam. Iedere individuele geest doorloopt zo een route door de rassen. Niemand kan een ras overslaan. Elk ras heeft zijn eigen zinvolle positie in het geheel. Terzijde: Steiners rassenleer heeft dus weinig van doen met het biologisch racisme van bijvoorbeeld het nationaal-socialisme. Toen in opdracht van het Hitler-bewind de nazi-pedagoog Bäumler een onderzoek deed naar de aanvaardbaarheid van Steiners pedagogiek meldde hij naast veel positiefs ook een nadeel: de aan opvoeding en onderwijs ten grondslag liggende kosmische mensleer past niet in de biologische “völkisch-rassischen Orientierung”.

Men zal begrijpen dat de mij gegeven ruimte geen nadere beschrijving en verklaring toestaat. Wat ik hier kón zeggen, moet voldoende zijn om het volgende te concluderen.

Het gedrag van antroposofen die zich distantiëren van Wiecherts uitspraken is te vergelijken met dat van gelovigen die hun geloofsbelijdenis loochenen: het heeft weinig zin die mensen nog serieus te nemen als vertegenwoordigers van een expliciete levensbeschouwing.

Wiecherts stellingname is duidelijk. Ze verdient een reactie die op het niveau staat dat Steiner zelf ambieerde toen hij zijn kennisleer, antropologie en maatschappijtheoretische teksten schreef of uitsprak. Dat is ten minste het niveau van de filosofie, maar eigenlijk het niveau van ingewijden. Op dit punt sluit ook precies het laatste argument van antroposofen aan in een hun onwelgevallige discussie over antroposofische inzichten: als je met nóg weer een tegenargument kunt komen, dan heet het dat je het (nog) niet kunt snappen omdat je geen ingewijde bent. Zo immuniseren ze diepgravende kritiek.

Zodra echter een antroposoof zegt dat men sommige teksten van Steiner maar met een korreltje zout moet nemen, is dat halfhartig. De geldigheid van Wiecherts woorden wordt dan ontkend en men zet hem ten onrechte te kijk.

Overigens: als deze trend van relativering de overhand krijgt in antroposofische kringen, ziet men mij dan ook niet langer als een incarnatie van het kwaad? Om die reden werd mij namelijk vanaf 1986 de toegang tot elke Vrije School ontzegd. Ik nam (en neem) het antroposofische gedachtengoed serieus en bekritiseerde het, zo denk ik nog steeds, met krachtige argumenten. Men neme dus ook Christof Wiechert serieus, en niet zijn halfzachte geloofsbroeders en -zusters, en wel omdat hij Steiner voor vol aanziet - wat men maar het beste kan doen.