Opmaat naar IGC

STEEDS MEER LIDSTATEN hebben hun voorzet gegeven voor de onderhandelingen over de toekomst van de Europese Unie. Eind deze maand begint de Intergouvernementele Conferentie (IGC) die tot doel heeft om de Unie organisatorisch voor te bereiden op uitbreiding met nieuwe lidstaten en om tot verdergaande afspraken te komen op het gebied van justitie, binnenlandse zaken, buitenlandse zaken en militaire veiligheid. Die onderwerpen zijn vijf jaar geleden buiten de gemeenschappelijke pilaar van het Verdrag van Maastricht gebleven.

Nu de grote drie - Duitsland, Frankrijk en Groot-Brittannië - hun uitgangspunten hebben bekendgemaakt, begint zich een patroon af te tekenen. Geen hooggestemde verwachtingen van een Europese Unie die zich een steeds hechter verbond tussen de volkeren van Europa ten doel stelt, maar een Europa van nationale staten die op onderdelen van cruciaal nationaal belang tot coalities van samenwerking komen. Duitsland, eerder voorstander van een federale visie, is tot de slotsom gekomen dat overeenstemming van alle vijftien lidstaten heel onwaarschijnlijk is en heeft met Frankrijk op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid een formule van 'constructieve afzijdigheid' voorgesteld. Dat wil zeggen: geen vetorecht meer op dit terrein, maar als landen niet willen deelnemen, mogen ze zich afzijdig houden (ook al zouden ze wel moeten meebetalen). Dit is de erkenning van het beginsel van verschillende snelheden, zoals al bestaat bij de monetaire unie, op het gebied van het gemeenschappelijke defensie- en buitenlandse beleid.

Groot-Brittannië, dat gisteren zijn voorstel voor de IGC heeft gepresenteerd onder de titel 'Een partnerschap voor naties', kiest voor terughoudendheid op alle terreinen. Dit weerspiegelt vooral de machteloosheid van premier Major om de verdeeldheid over Europa in zijn eigen partij de baas te kunnen. Maar terwijl op defensiegebied de Britten zich kunnen koesteren in het besef van hun militaire onmisbaarheid en hun opstelling op onderdelen bij de gaullistische regering in Parijs op sympathie kan rekenen, dreigt op andere onderwerpen isolement. DE OPSTELLING VAN de Benelux verschilt hemelsbreed van die van Groot-Brittannië, maar heeft vermoedelijk eenzelfde machteloos effect. Vorige week kwamen de regeringsleiders van de Benelux een gezamenlijke opstelling voor de IGC overeen. Uit vrees voor een 'directoraat van de grote drie' en in de hoop op een zwaan-kleef-aan-actie bij de andere kleinere lidstaten pleitte de Benelux voor een communautaire aanpak met meer bevoegdheden voor de Europese Commissie en beperking van het veto-recht op het gebied van buitenlands en veiligheidsbeleid. De IGC moet verder in de optiek van de Benelux-premiers meer aandacht geven aan de bevordering van werkgelegenheid in de Europese Unie, ook al valt dat onderwerp buiten de komende beraadslagingen. Geen enkele lidstaat is bereid zijn beleid aan Brussel te delegeren.

De lidstaten hoeven het natuurlijk niet met elkaar eens te zijn. Een jaar lang zullen de diplomaten en politici praten, onderhandelen, marchanderen en amenderen. Maar een constructieve opstelling en een behoorlijke mate van realisme bij alle partijen zijn gewenst. De uitdagingen waar Europa voor staat, zijn daar groot genoeg voor.