Kwaliteitsbeleid in de zorg steeds meer geaccepteerd

UTRECHT, 13 MAART. Wat is beter: een technisch niet te evenaren arts zonder enige communicatieve eigenschappen of een communicatieve arts die regelmatig een steekje laat vallen? Over deze en andere vragen draaide gisteren een discussie in Utrecht over kwaliteitsmanagement in de gezondheidszorg.

De vraag naar het primaat in de zorg is minder gemakkelijk te beantwoorden dan medici geneigd zijn te denken, zo stelde algemeen secretaris M. van Leeuwen van de Gezondheidsraad; uit enquêtes blijkt immers dat veel patiënten een correcte bejegening op de eerste plaats stellen en ook de belangstelling voor kwakzalvers zegt veel over hang van mensen naar een arts die vooral aandacht aan hen geeft.

Deze voorkeur van het grote publiek ontslaat medici echter niet van de plicht om het eigen professionele handelen te meten, te toetsen en waar mogelijk te verbeteren, zo is de opvatting van medici die zich met kwaliteitsmanagement bezighouden. De huisartsen zijn het eerst aan de slag gegaan. Zij hebben inmiddels zestig standaarden opgesteld voor de behandeling van bepaalde types aandoeningen. De medisch specialisten volgen dezer dagen in snel tempo. “De mate waarin specialisten zich bewust aan het worden zijn van hun medisch handelen is bijna revolutionair”, zei directeur-generaal volksgezondheid prof. dr. B. Sangster van het ministerie van Volksgezondheid.

Bij kwaliteitsmanagement gaat het om opstellen van protocollen, visitaties door collega's, interne toetsing en een goede omgang met collega's in het belang van de te verlenen zorg. “Vroeger zaten de protocollen over hoe te handelen in het cerebrum van de medisch specialist, nu liggen ze in de vorm van papier op zijn bureau. Dat is eigenlijk heel gemakkelijk. Straks heeft iedereen een computer op zijn bureau waarin men de adequate therapieën zo kan opzoeken”, zei prof. dr. J. Merkus, hoogleraar obstetrie en gynaecologie in Nijmegen.

Verwordt het medisch handelen met al die protocollen en standaarden niet tot een soort kookboekgeneeskunde, vroeg discussieleider Charles Groenhuijsen aan Prof. dr. A. Caspari, hoogleraar sociaal-medische wetenschappen in Rotterdam. Nee, zei deze, want de kunst is voor de arts om steeds opnieuw te bepalen of een patiënt behoort tot de groep waarvoor een bepaald protocol is geschreven. Caspari bepleitte in het algemeen dat bij het kwaliteitsmanagement niet alleen wordt gekeken naar klinische parameters, maar ook naar de gezondheidsstatus van patiënten. Maar daar voelde gynaecoloog Merkus weer niets voor. “De wensen van de arts zijn dezelfde als die van de patiënt. En als patiënten klagen over gebrek aan parkeerruimte of dat de televisie niet werkt, dan vind ik dat we daar niet te veel aandacht voor moeten hebben.”

Doelmatigheid kan bereikt worden door meer samenwerking tussen afdelingen, zo bleek gisteren. In het Reinier de Graaf Gasthuis in Delft, zo vertelde directeur medische zaken W. Schellekens, stelde onlangs een cardioloog de vraag aan de orde waarom het toch 55 minuten moet duren voordat een patiënt met het vermoeden van een hartinfarct van de afdeling spoedeisende hulp wordt overgebracht naar de intensive care om daar een trombolyse te krijgen. Na overleg tussen de afdelingen kon de tijd worden teruggebracht tot 30 minuten. Bij het overleg bleek dat men op de afdeling intensive care veronderstelde dat op de andere afdeling de regel gold dat een patiënt pas mocht worden overgebracht als na bloedonderzoek de enzymproduktie bekend was. Dat bloedonderzoek wordt nu alleen in twijfelgevallen gedaan.

De aanvankelijke weerstand bij specialisten tegen het kwaliteitsbeleid is verdwenen, de meesten zien het als een methode om met meer bevrediging te werken. “Ik sta verbaasd over de acceptatiegraad”, zei de Tilburge arts-microbioloog C. Heijen, die de indruk wilde wegnemen dat visitaties door collega's bedoeld zijn als politiewerk. Heijen: “Visitaties zijn bedoeld om bij elkaar in de keuken te kijken en niet om te zeggen: deze fout is een verschrikking. Het is veeleer zaak om erachter te komen waar een bepaalde fout uit voortkomt.”