'Kampers' vrezen zachte dood te sterven

Woonwagenbewoners demonstreerden vandaag in Den Haag tegen de afschaffing van de woonwagenwet. Hierdoor zal het recht op een standplaats niet meer overgaan van ouder op kind. Over vrees voor verlies van cultuur en identiteit.

UTRECHT, 13 MAART. Een jaar geleden viel een brief van staatssecretaris Tommel (volkshuisvesting) op de mat bij alle gemeenten en provincies in Nederland. De staatssecretaris wilde de woonwagenwet afschaffen. De woonbewagenbewoners zelf bleven opmerkelijk stil; pas later schrokken ze wakker. “Om vijf voor twaalf bij bewustzijn gekomen”, zoals actievoerder J. Poelstra zegt. Vandaag demonstreerden Poelstra en de zijnen voor het behoud van de woonwagenwet.

In de Noordhollandse gemeente Velsen hebben de ambtenaren nooit iets begrepen van het beleid van de overheid ten aanzien van woonwagenbewoners. “Iedereen constateerde een achterstand op het gebied van onderwijs en arbeid bij deze groep. De overheid vond vervolgens dat grote centra moesten worden opgedeeld in kleinere centra. Maar zo los je die achterstanden toch niet op”, zegt juridisch medewerker P. Beijersbergen van de gemeente Velsen verontwaardigd.

De brief die staatssecretaris Tommel (volkshuisvesting) vorig jaar april naar alle gemeenten en provincies stuurde, was een bevestiging van de ontevredenheid in Velsen. In die brief kondigde de staatssecretaris nuanceringen aan van het geldende woonwagenbeleid, medio 1997. “We hebben geconstateerd dat voortzetting van het kleine centrabeleid geen wezenlijke bijdrage meer zal leveren aan het inlopen van de maatschappelijke achterstandpositie van de woonwagenbewoners”, aldus Tommel. Beijersbergen: “Wij waren heel blij met die brief.”

De 'nuanceringen' van Tommel bestonden onder andere uit de afschaffing van de woonwagenwet, overheveling van sommige bepalingen naar andere wetten en decentralisatie van het woonwagenbeleid naar gemeenten. Deze mochten nu zelf belissen over de woonwagenkampen, maar moesten hun keuze wel bij het ministerie verantwoorden. Velsen besloot onmiddellijk zijn grote kamp te behouden. “De woonwagenbewoners waren blij met dat kamp en de omwonenden waren eraan gewend.” Daarnaast waren pogingen om elders in de gemeente kleinere kampen te beginnen op onwil van de buurtbewoners gestuit - en dus op onwil van enkele fracties in de gemeenteraad.

Tommels nuanceringen mochten bij diverse gemeenten dan in goede aarde vallen, aan de woonwagenbewoners gingen ze grotendeels voorbij. Het ministerie van VROM heeft naar eigen zeggen vorig jaar overleg gevoerd met het landelijk platform woonwagenbewoners en zigeuners (LPWZ), maar het LPWZ zegt daar niets van te weten. Het platform had ook wel andere zaken aan het hoofd. Zo was het slechts twee maanden verwijderd van een totale subsidiestop en een gedwongen opname in de nieuwe, overkoepelende minderhedenorganisatie Forum.

Het besef kwam, zo zegt woonwagenbewoner J. Poelstra, tijdens een uitzending van een talkshow van Catherine Keijl op RTL4 in december 1995. De 28-jarige timmerman zat naar de uitzending te kijken waarin twee woonwagenbewoners over hun cultuur zouden praten. “Ineens, pats, hoor ik dat de woonwagenwet wordt opgeheven”, zegt Poelstra. “En ik wist van niks!” De verontwaardiging was groot, een actiegroep werd snel opgericht. Poelstra en de zijnen gingen een aantal kampen langs en verzamelden - naar eigen zeggen - binnen korte tijd ruim tweehonderd verontwaardigde woonwagenbewoners. Ze besloten allereerst een demonstratie te organiseren tegen de afschaffing van de woonwagenwet, die vandaag in Den Haag werd gehouden.

Twee avonden voor de demonstratie spreekt Poelstra op het Utrechtse kamp Merenveld over zijn vrees. Hier, ingeklemd tussen de A27, een spoorbaan, sportvelden en het bos Amelisweerd, woont Poelstra met zijn vrouw en drie kinderen, zijn vader, een paar zussen en een oom. Zijn andere zus woont (“helaas”) op een kamp aan de andere kant van de stad. Want Utrecht heeft de opdeling in kleinere kampen versneld uitgevoerd, omdat de regionale politie de situatie op de terreinen niet meer onder controle had.

Poelstra's familie en vrienden raakten verspreid. “Maar familie is zo belangrijk in onze cultuur”, zegt hij. De afschaffing van de woonwagenwet - en dan met name artikel 18 - zou daartegen indruisen. In artikel 18 is het afstammingsbeginsel geregeld: de overheid verstrekt alleen een woonwagen-vergunning aan iemand die eerder een vergunning had of afstamt van ouders die in een wagen woonden.

Met de afschaffing van dit artikel verdwijnt de identiteit van onze groep, meent Poelstra, die uit circa dertigduizend woonwagenbewoners bestaat. Daarnaast zouden gemeenten geen standplaats meer hoeven aan te bieden aan bijvoorbeeld zijn kinderen. “Dat is minder erg als er genoeg plaatsen zijn. Maar het tekort is schreeuwend. Sommige van mijn vrienden staan zeven jaar op een wachtlijst voordat ze in aanmerking komen.”

Een woordvoerder van het ministerie van VROM bevestigt het tekort aan standplaatsen. De bedoeling was dat vanaf 1995 500 standplaatsen per jaar zouden worden geschapen. In 1995 is dat niet gelukt, erkent de woordvoerder. “We moeten nog uitzoeken of gemeenten de subsidies apart hebben gezet voor volgende jaren of hebben aangewend voor andere vormen van volkshuisvesting.” Maar Poelstra ziet zijn vrees bevestigd. “De gemeenten zijn niet dol op ons. Met de woonwagenwet in de hand kunnen we een vuist maken. Straks zijn we niet meer erkend en staan we nergens. Dan moeten mijn kinderen weer reizen.” Een ding is zeker: Poelstra zal met zijn kinderen meetrekken.

'Vooral emoties', noemt de onderzoeker A. Cottaar de heftige reacties van de actievoerders. “Maar niet ten onrechte”, haast Cottaar zich te zeggen. “Het is een reactie op de jarenlange stigmatisering door de overheid.” Cottaar promoveerde onlangs op het proefschrift 'Kooplui, kermisklanten en andere woonwagenbewoners. Groepsvorming en beleid 1870 - 1945'. Aan het begin van deze eeuw, in 1918, werd de woonwagenwet ingevoerd. De overheid stelde eisen aan grootte en omvang van de woonwagens, evenals aan het gedrag van de bewoners. De hygiëne van woonwagenbewoners bijvoorbeeld werd in de woonwagenwet apart genoemd.

Vijftig jaar later werd de woonwagenwet aangescherpt. Het afstammingsbeginsel werd opgenomen en er kwam een (verkapt) trekverbod. Cottaar vindt de woonwagenwet een vorm van 'apartheidswetgeving'. Door het afstammingsbeginsel stopte de nieuwe instroom in de kampen. Het gevoel apart te zijn werd versterkt. De huidige, felle tegenstand is volgens Cottaar ten dele daaruit te verklaren.

Het ministerie van VROM vindt dat de woonwagenbewoners de zaak wel erg hoog opnemen. Ze zouden spoken zien waar deze niet zijn. Maar de kampers vertrouwen de geruststellende woorden en toezeggingen van staatssecretaris Tommel niet. Deze schreef in zijn brief aan gemeenten en provincies in april vorig jaar dat het “uitdrukkelijk niet de bedoeling is deze erkende woonvorm op welke wijze dan ook een zachte dood te laten sterven”. Ook schreef de staatssecretaris dat hij een regeling wil opnemen waardoor gemeenten woonwagenbewoners ook na de verdwijning van artikel 18 voorrang kunnen geven bij een standplaats.

Maar Poelstra is boos. “Kunnen, kunnen? Wat heb ik daar nou aan”, roept hij en komt uit de grote bank met de vele hoeken omhoog. Zijn ogen schieten vuur en hij heft zijn wijsvinger dreigend op. “Zwart op wit wil ik het zien van meneer Tommel. En anders gaat het mooi niet door.”