Franse aanvallen op drugsbeleid verdelen Kamer

De Tweede Kamer worstelt met de buitenlandse kritiek op het Nederlandse drugsbeleid. Kamerleden over de grenzen van het drugsbeleid.

DEN HAAG, 13 MAART. “Die mevrouw in Spangen vind ik belangrijker dan president Chirac”, zegt het Tweede-Kamerlid R. Oudkerk (PvdA). Nederland moet zoveel mogelijk zijn eigen beleid voeren en ervoor zorgen dat de binnenlandse overlastproblemen, zoals in deze Rotterdamse wijk, worden opgelost, meent Oudkerk.

Zijn collega bij het CDA, W. van de Camp, vindt dat de Nederlandse regering zich te weinig aantrekt van de buitenlandse kritiek: “Je kunt niet meer heel stoer en geïrriteerd reageren op Franse uitlatingen.”

Kabinet en Tweede Kamer zijn er nog lang niet uit. Het gedoogbeleid en de scheiding van de markten voor hard- en softdrugs kent zijn goede kanten, maar heeft ook veel negatieve effecten gehad. Daarover is de Kamer het eens. Dat Europa na vijfentwintig jaar Nederlandse tolerantie nog verre van enthousiast reageert speelt een steeds grotere rol.

In de drugsnota van vorig jaar gaf het kabinet zelf het eerste signaal dat Nederland binnen Europa geen strikt eigen beleid meer kan voeren. Hoewel minister Sorgdrager en haar partij, D66, een verdere liberalisering voorstonden om de softdrugshandel en -verkoop te kunnen controleren en uit handen van de georganiseerde criminaliteit te houden, bleef die stap uit.

Internationale verdragen belemmeren legalisering van softdrugs. Het kabinet gaf onlangs nog toe dat het gedoogbeleid nu al “in strijd is met de bepalingen in het VN-verdrag van 1961”. Maar ook burgers, gemeenten en buitenlandse regeringen lieten weten dat de grenzen van de overlast al lang waren overschreden. “De tolerantie ten aanzien van softdrugs is te ver doorgeschoten”, klonk het plotseling ook op de politiedepartementen.

Daarmee is een kentering in het denken over verdovende middelen ingezet, meent Van de Camp. “Veel burgers zijn het zat. In het buitenland wekt onze tolerantie veel irritatie op. Ik zeg niet dat we als een knipmes voor meneer Chirac moeten buigen en ons drugsbeleid moeten afzweren. We moeten de goede kanten ervan uitdragen, zoals de verslavingszorg die in Duitsland en Frankrijk wel wordt gewaardeerd. Dat geldt vooral bij de lokale en regionale overheden. Maar we moeten niet doen alsof er geen nadelen aan ons drugsbeleid zitten. Als Europa blijft volhouden dat wij de coffeeshops moeten sluiten, dan hebben we een heel groot probleem. Nederland heeft niet voor niets verdragen afgesloten, zoals Schengen. Dat zijn geen hobbyclubs, maar serieuze kost.”

De VVD'er B. Korthals deelt die mening. “Ik denk dat de toon die Frankrijk aanslaat niet altijd de meest geslaagde is, maar alleen een open dialoog brengt ons verder. Met respect voor wat de ander vindt. Bovendien doen wij altijd alsof ons drugsbeleid zo succesvol is.

“Enige relativering zou ons passen. Neem de produktie en de handel in xtc-pillen en andere drugs. Die zijn deels ontstaan doordat Nederland geen repressief, maar een wat te liberaal beleid heeft gevoerd. We hebben in vijfentwintig jaar drugsbeleid nauwelijks een evaluatie gehad. Aan de andere kant denk ik dat er in Europa een ontwikkeling is die zal uitkomen op een scheiding van de markten voor softdrugs en harddrugs. Maar als Nederland internationaal resultaat wil boeken met het beleid, kun je niet te ver voor de troepen uitlopen.”

Het Kamerlid Th. de Graaf (D66) verwacht dat de politieke druk van de Fransen tot aan de behandeling van de drugsnota in de Kamer tot een maximum wordt opgevoerd. “Daarna zal het wel wegebben. Dan krijgen we weer de situatie die er was: wij ons beleid, Frankrijk zijn eigen beleid.

“Natuurlijk moeten wij rekening houden met de overlast die ons drugsbeleid in andere landen veroorzaakt. Mat wat is nu precies het probleem? Dat jongeren uit Noord-Frankrijk na een uurtje rijden in een coffeeshop softdrugs kunnen kopen. Dat heeft niets te maken met het hoge aantal harddrugsverslaafden in Frankrijk. Dat is fundamentele onzin. Als hun probleem is dat wij in Nederland coffeeshops hebben, dan zal dat probleem blijven bestaan. Ik vind niet dat Nederland als een soort gidsland in Europa het beleid moet gaan uitdragen. We hoeven ons niet agressief op te stellen als ons beleid wordt aangevallen, maar wel assertief. Wij moeten het buitenland blijven wijzen op de resultaten die in Nederland zijn geboekt.”

Omdat die boodschap maar mondjesmaat tot in de hoogste politieke kringen in het buitenland doordringt pleiten de grootste fracties in de Tweede Kamer voor een onafhankelijk Europees onderzoek naar de drugsproblematiek, een wens die vorig jaar ook door het Europees Parlement is uitgesproken. Daarin moeten harde gegevens komen over drugsgebruik, verslaving, aantallen drugsdoden en HIV-besmetting. “De discussie over verdovende middelen moet worden gevoerd op basis van de feiten en niet op basis van ideologie”, zegt De Graaf.

Oudkerk acht het noodzakelijk dat in dat onderzoek ook een beoordeling wordt gegeven over de effecten van het drugsbeleid in de verschillende landen. “De Franse regering krijgt nu gemanipuleerde en onjuiste cijfers van zijn adviseurs. Dat durf ik keihard te stellen. Er wordt een rat volgespoten met tien milligram THC, het werkzame bestanddeel van hasj, en vervolgens wordt de conclusie getrokken dat hasj slecht is voor de gezondheid. Zo'n proef geeft hetzelfde effect als een persoon veertien gram hasj in één keer te laten oproken, of vier flessen jenever te laten drinken. Zo wordt president Chirac voorgelicht. Maar overmatig gebruik is altijd slecht. Een joint is vijfentwintig keer minder schadelijk dan die fles wijn die miljoenen Fransen elke avond drinken.”

Zolang de ideologie het wint van de feiten is de Nederlandse voorlichting in het buitenland een moeilijke zaak, hebben premier Kok en zijn ministers Sorgdrager (Justitie) en Van Mierlo (Buitenlandse Zaken) gemerkt in hun confrontaties met de Fransen.

Nadat de drugsnota in vijf talen was uitgebracht zwol de kritiek alleen maar aan. Een geplande drugsconferentie tussen de regeringsleiders van Nederland, Duitsland, België en Frankrijk werd onlangs afgezegd omdat de standpunten van Nederland en Frankrijk te ver uit elkaar liggen. Tot groot ongenoegen van Van de Camp. “Het kabinet moet proberen in gesprek te blijven met de andere landen om tot een harmonisatie van het Europese drugsbeleid te komen. Ik sluit niet uit dat het aantal coffeeshops nog verder gereduceerd moet worden. Het CDA vindt dat ze dicht moeten, maar wij zien ook wel in dat dat niet zo snel kan worden teruggedraaid.”

Uit de mislukte afspraak over de internationale drugstop concludeert Oudkerk dat het kabinet niet weet hoe het met buitenlandse kritiek moeten omgaan. “Neem Chirac zelf. Hij zei gewoon: 'wij gaan atoomproeven houden, dit is ons beleid'.

Blijkbaar is het mogelijk een eigen beleid te voeren. Nederland heeft ten aanzien van verdovende middelen precies dezelfde doelstellingen als elk ander land. Alleen de manier waarop we dat willen bereiken is anders. En wij kunnen ons eigen beleid voeren binnen de grenzen van de internationale verdragen.''

Toch is er ook een inhoudelijke reden dat de kritiek aanhoudt, zegt Oudkerk. “We zullen pas respect krijgen als ons beleid consistent is. Nu zeggen we eigenlijk dat we vinden dat verdovende middelen wel mogen worden verkocht, maar we regelen niks voor de bevoorrading van coffeeshops. Gedogen is inconsistent. We maken geen beleid, want we zien iets door de vingers.

“Je moet drugs voorlopig wel binnen het strafrecht houden, maar onder strenge voorwaarden toestaan. Minder coffeeshops, die aan hele strenge regels worden gebonden, zowel wat betreft de verkoop aan klanten, de handelsvoorraad als de inkoop van handelaren of huistelers. Als ze die regels overtreden moet hij worden gesloten en dicht blijven. Maar dan moet je ook de inkoop bij de achterdeur reguleren, anders is het niet te controleren wat er gebeurt.”