Fonds stelt: Nederlandse filmindustrie faalt

Ondanks enkele bescheiden commerciële successen (Filmpje!, Flodder) en een levendige belangstelling op buitenlandse festivals voor een enkele speelfilm (Zusje, Antonia) en menige documentaire, animatiefilm en jeugdfilm, gaat het nog steeds niet erg goed met de Nederlandse filmproduktie. Het imagoprobleem van de Nederlandse film bij het eigen publiek is zelfs maar het topje van de ijsberg.

Een van de grote verdiensten van het deze week verschenen beleidsplan 1997-2000 van de stichting Nederlands Fonds voor de Film, dat onder verwijzing naar de kunstnota Pantser of ruggegraat van staatssecretaris Nuis (Cultuur) Een ruggegraat voor de Nederlandse film heet, is dat niet langer om de problemen wordt heengedraaid. Liet in het verleden het Fonds, dat zich vooral bezighoudt met de verdeling van de rijkssubsidie onder projectaanvragen, zich spannen voor het karretje van de belangengroepen, die in verruiming van die subsidie de enige oplossing zagen voor alle problemen, nu steekt men de hand in eigen boezem: “Het op tal van terreinen incomplete produktieapparaat, de overvloed aan kleine produktiebedrijven, de talent-drain naar het buitenland, de vrijwel complete overheersing van de nationale markt door de produkten van enkele grote buitenlandse aanbieders, de grotendeels van subsidies afhankelijke nationale industrie, dit alles leidt tot een in economische begrippen zeer herkenbaar patroon. In economische termen vertoont de Nederlandse filmindustrie alle kenmerken van een derde-wereldland.”

Het pompen van meer geld uit de kunstenbegroting in een produkt waar nauwelijks vraag naar is lijkt kortom die hier zo wreed samengevatte realiteit nauwelijks te kunnen verbeteren. Daarom richt het Fonds zich tot het ministerie van Economische Zaken met het verzoek eens wat industriepolitiek te voeren: in de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen is het gelukt om met gerichte steun de verouderde zware industrie deels om te vormen tot een meer milieuvriendelijke audiovisuele bedrijvigheid. Het Fonds vraagt aan minister Wijers om bovenop de ongeveer 15 miljoen per jaar van het departement van OCW een flink bedrag te leggen, oplopend van 7 miljoen in 1997 tot 21 miljoen in 2000. Volgens Fondsdirecteur R. Rienstra heeft Wijers daar wel oren naar; per slot van rekening zijn soortgelijke conclusies uit het McKinsey-rapport Stimulating the Audiovisual Production in the Netherlands (1992) indertijd al tot regeringsbeleid verheven.

Het is onjuist, zoals in de eerste reacties op het beleidsplan van het Filmfonds al te beluisteren viel, te concluderen dat de hoofdaandacht verschoven wordt naar zoiets denkbeeldigs als 'de commerciële Nederlandse speelfilm'. Eerder wordt gepleit voor een twee- of driesporenbeleid: het instellen van een zogenaamd matching fund dat particuliere investeringen verdubbelt onder marginale toetsing van de financiële consistentie, en van een apart potje dat deelname aan internationale coprodukties mogelijk maakt. Nieuwe bijdragen van Economische Zaken zouden die initiatieven mogelijk moeten maken. Als aan die voorwaarden voldaan is, kan het Fonds zich met hernieuwde energie richten op zijn hoofdtaak, het ondersteunen van in cultureel opzicht interessante, niet per se winstgevende produkties.

Ook in het vervullen van die taak belooft het Fonds meer nadruk te leggen 'op de kwaliteit van het ondernemerschap van producenten en dan vooral op de wijze waarmee wordt omgegaan met de door het Fonds beschikbare gelden. De eisen aan het zorgvuldig beheer van de gelden zullen worden aangescherpt evenals de controle hierop vanwege het Fonds.'

Sinds enige tijd dringt zich de gedachte op dat het grootste probleem van de Nederlandse film niet een gebrek aan talent of scenarioschrijfkunst is, maar de geringe daadkracht, fantasie en zakelijkheid van de aan de subsidieruif vadsig geworden modale filmproducent. Die conclusie staat in het moedige beleidsrapport van het Nederlands Fonds voor de Film zelfs nauwelijks meer tussen de regels. Een door Economische Zaken ondersteunde 'privatisering' van het zichzelf commercieel achtende deel van de Nederlandse filmnijverheid zou wel eens een zegen kunnen blijken.