De Korte: meer in eigen land investeren

DEN HAAG, 13 MAART. Nederlandse bedrijven moeten meer in Nederland investeren. Dat vindt de vice-president van de Europese Investeringsbank R. de Korte. De Europese Investeringsbank is de grootste multinationale financiële instelling ter wereld. Een overlevingsscenario voor Fokker met puur Nederlands kapitaal heeft volgens De Korte weinig kans van slagen.

“Veel Nederlandse ondernemers hebben een ver-weg-is-lekker mentaliteit”, aldus oud-politicus De Korte, die nu zeven maanden bij de Europese Investeringsbank werkzaam is en zich volgens eigen zeggen “al een echte bankier begint te voelen”. “Nederlandse ondernemers lijden aan de illusie dat hun winsten toenemen door zoveel mogelijk in het buitenland te investeren. En ze houden daarbij te weinig rekening met de risico's die dat met zich meebrengt”. De Korte doet zijn uitspraken aan de vooravond van een bezoek van de hele top van de Europese Investeringsbank aan Nederland. President Sir Brian Unwin, vice-president Rudolph de Korte en enkele hoge functionarissen van de Europese Investeringsbank spreken morgen en overmorgen onder andere met de ministers Wijers, Zalm en Jorritsma, met de top van alle grote financiële instellingen en met de president van De Nederlandsche Bank, Wim Duisenberg. Tijdens een bijeenkomst morgenavond met minister Wijers (Economische Zaken) en captains of industry van de belangrijkste Nederlandse bedrijven staat het thema van het relatieve tekort aan investeringen in Nederland op de agenda. Het relatieve tekort aan investeringen vormt eveneens een belangrijk onderdeel van het Centraal Economisch Plan van het Centraal Planbureau (CPB), dat begin april verschijnt.

“Wij zijn een land van spaarders en niet van investeerders”, zegt De Korte. “We vertonen risicomijdend gedrag”. Nederland is volgens De Korte een ideaal land voor het “stofzuigen van geld”. Nog nooit heeft de Europese Investeringsbank zoveel geld uit de markt gehaald door middel van het plaatsen van een obligatielening als midden januari in Nederland. “We hebben toen 2,5 miljard gulden opgezogen”, zegt De Korte. “En het is toch wel heel erg wrang dat we nagenoeg dat hele bedrag ergens anders weer wegzeggen. Nederland neemt op jaarbasis maar 700 miljoen gulden aan geldleningen van ons op.”

De bovenmatige interesse van Nederlandse spaarders en investeerders voor het buitenland is volgens De Korte vooral vreemd omdat Nederladn volgens hem - en ook volgens het Centraal Planbureau - één van de beste investeringsklimaten van de wereld heeft. “Onze economie wordt gekenmerkt door een lage inflatie, hoge rendementen, een lage kapitaalmarktrente en een stabiele omgeving zonder stakingen”, zegt De Korte. “Investeerders lopen minder risico met het investeren op het industrieterrein van Breda dan op die van Bombay of Buenos Aires. Ik heb de indruk dat veel industriële bedrijven met die risicofactor te weinig rekening houden”.

Volgens zowel het Centraal Planbureau als de Europese Investeringsbank gaat de overmatige aandacht van Nederlandse bedrijven voor investeringen in het buitenland ten koste van de groeipotentie en de werkgelegenheid in Nederland. De Korte: “Jelle Zijlstra, de vroegere president van De Nederlandsche Bank en oud-premier, zei altijd: het hindert niet waar het geld heen gaat, als het maar renderend terugkeert. Maar die redenering gaat niet meer op. Door relatief te weinig in eigen land te investeren ontnemen bedrijven ons land groeimogelijkheden, banen en technologische vernieuwing.”

Nederland is volgens De Korte met name interessant voor investeringen in kapitaalintensieve bedrijven, zoals de chemische industrie. “Dergelijke investeringen leveren per gulden investering in directe zin misschien weinig banen op”, zegt hij, “maar indirect leiden ze wel tot meer werkgelegenheid en koopkracht door allerlei afgeleide bedrijvigheid bij toeleveranciers, in de zakelijke dienstverlening en de horeca.”

Het relatieve tekort aan investeringen doet zich volgens De Korte in heel Europa voor, “maar nergens is er zo'n groot verschil tussen sparen en investeren als hier in Nederland”. Nederlanders sparen 23,8 procent van het geld dat ze met zijn allen verdienen (het bruto binnenlands produkt). België (21,7 procent), Denemarken (17,6 procent), het Verenigd Koninkrijk (13,6 procent) en andere Europese landen blijven daarbij achter. Nederlanders investeren 20 procent van het geld dat ze per jaar met zijn allen verdienen en moeten daarbij Duitsland, Frankrijk en Spanje voor zich dulden. De investeringen liggen precies op het Europees gemiddelde, terwijl de besparingen daarbij flink achterblijven. Nederlandse ondernemingen investeren per jaar zo'n 25 miljard gulden in het buitenland. Eind 1993 bedroeg de stand van de Nederlandse directe investeringen in het buitenland ruim 246 miljard gulden. Het Centraal Planbureau spreekt er haar verwondering over uit dat de uittocht van investeringsgeld zo groot is. “Internationaal vergeleken ligt de gemiddelde winstgevendheid van bedrijven in Nederland op een hoog niveau”, aldus het CPB. De rentabiliteit in de industrie (netto winst gedeeld door eigen vermogen) in Nederland bedraagt 12 procent, tegen 4,9 procent in Japan, 6,8 procent in de VS en gemiddeld 8,2 procent in de Europese Unie.

De Korte ziet tal van investeringsmogelijkheden in Nederland. Hij noemt het milieu en de infrastructuur als voorbeelden. “Nederland slibt snel vol”, aldus De Korte. “Het kabinet zou eens moeten kijken naar Scandinavië en België. Daar wordt flink geïnvesteerd in wegen en spoorwegen, vaak onder garantie van de overheid. In Nederland worden geen garanties afgegeven voor grote projecten en daarmee doet het zichzelf tekort.

Het relatieve tekort aan investeringen heeft ook de aandacht getrokken van minister Wijers (Economische Zaken), weet De Korte. “Maar veel van zijn aandacht wordt nu door Fokker weggezogen.” Als voorganger van Wijers maakte De Korte dat in 1987 ook mee. “Ik heb Fokker toen moeten redden van een liquiditeitscrisis. We hebben Fokker toen voor 212 miljoen gulden risicodragend kapitaal verschaft. Daarbij zijn toen wel enkele voorwaarden gesteld. Een van de voorwaarden was dat Fokker een kapitaalkrachtige partner moest zoeken en een concept voor een familie vliegtuigen zou ontwikkelen. Dat is allemaal niet zo goed gelukt, blijkt nu.”

Een schip met geld voor Fokker stuurt De Korte niet, want zijn bank doet alleen aan projectfinanciering.

Volgens de oud-minister kan Fokker onmogelijk lange tijd overeind gehouden worden zonder kaptiaalkrachtige partner en een serie vliegtuigen die samen een familie vormen. “Zo'n stand alone situatie, waarbij Fokker overeind gehouden wordt door Nederlandse financiers, kan nooit lang duren”, aldus De Korte. “Op een gegeven moment zal Fokker toch nieuwe vliegtuigen moeten ontwikkelen. En dat kost miljarden guldens.”