Bal opent Boekenweek; Dansles voor de harkerige literatoren

AMSTERDAM, 13 MAART. Onder een imponerend briefhoofd was het heugelijke feit meegedeeld aan het CPNB, organisator het Boekenbal waarmee gisteren de Boekenweek werd ingeluid: de Cultureel Ambassadeur van Karachi, 'toevallig net even in Nederland', zou het bal met een bezoekje vereren! Of directeur Henk Kraima de kaartjes maar vast wilde klaarleggen. De brief hangt inmiddels aan de muur van het CPNB-kantoor, als de slimste foef van 1996 om tot het Boekenbal door te dringen. De nepambassadeur kwam er bij de Amsterdamse Stadsschouwburg dus niet in. Na het volgens sommigen té toegankelijke vorige bal in Carré, kon er dit jaar weer traditioneel ludiek worden gezeurd om schaarse toegangskaartjes. Dat hoort, net als de zwartvierders die ieder jaar wel een portier weten te passeren, bij de Boekenbalfolklore.

Tijdens deze 61ste Boekenweek luidt het motto 'Eeuwig El Dorado' en is er veel aandacht voor literatuur uit Latijns-Amerika. Het in een recordoplage van 643 duizend exemplaren gedrukte boekenweekgeschenk Palmwijn, geschreven door Adriaan van Dis, speelt weliswaar in Afrika, maar het drankje uit de titel heeft alle toverachtige eigenschappen waarnaar het thema van het 'Magische Boekenbal' verwijst. Als de Zuidamerikaanse dansmuziek in alle hoeken van de schouwburg losbarst kan iedereen het zelf proeven, dan is er palmwijn in kokosnoot.

Maar vooralsnog trekt Kamagurka zich van Latijns-Amerika en de literatuur geen moer aan. Geheel autonoom opent hij het Boekenbal als Kamiel Kafka met een meesterlijk mengsel van flauwe moppen ('Dokter mijn man bedriegt mij. Hij slaat me met een andere vrouw'), Belgische sportberichtgeving, een tip voor mensen die geen Kung Fu kennen ('Leer Kung Fu') en 'orismen', dat zijn 'aforismen die nog niet af zijn' (“Hoezeer de mens ook praat, zelden zegt hij ...”). En het als onmogelijk bekend staande Boekenbalpubliek dat met protestgehoest en boe-roepen al verschillende artiesten tot wanhoop dreef, krijgt bij zijn heel smerige verhaal over seks door 'Pol en Mireille' definitief de slappe lach. Met een literaire drugstest besluit Kamagurka toch nog min of meer in magische stijl: hij varieert zijn gedicht Tis lente met behulp van onder meer cocaïne ('Tis lente en het sneeuwt'), XTC ('Tis lente en ik zie mezen! Met dikke tieten!') en LSD ('Tis lente en mijn oksels staan in bloei!'). Dan is er vuurwerk en champagne.

Boekenbalgasten klimmen graag in Boekenbalgasten. Het begroeten in de gangen verloopt vaak als volgt: eerst roept men, nog op afstand van de ander, op luide toon hee! Dan worstelt men zich met hoog maaiende armen door de drukte. En tot slot dan die merkwaardige klimpartij; een combinatie van een sprong, een dreun op de schouder en een luchtkus. De Antilliaanse schrijver Frank Martinus Arion, die voor de Boekenweek uit Curaçao overkwam, moet er vaak aan geloven. Hij voelt zich “gebombardeerd tot de gezellige Zuidamerikaan en de leuke Surinamer tegelijk.” Maar Arion zit er niet mee, slurpt nog eens uit zijn kokosnoot en begint een lofzang op het boek De palmwijndrinker van de Afrikaan Amos Tutuola. “Te gek magisch boek! Een man gaat dood en maakt daarna nog meer wijn.”

Verderop verheugt Adriaan van Dis zich uithijgend van een dansje op een 'vrolijke slavenweek' met 18 lezingen en signeersessies. Ook Carolijn Visser moet de komende week stad en land af met haar Boekenweek-essay Het goud van Bonanza. Beiden worden belaagd door de zeven cameraploegen die zijn toegelaten. “Het Boekenbal is een nationaal feest”, vindt Henk Kraima.

In de orkestbak zitten handlezeressen en pillendraaisters met de tequila klaar, in de foyers is een 'Disco de Rio', en Mexicaanse en Antilliaanse muziek. Frank Martinus Arion legt nog één keer uit hoe je échte salsa dansen moet: “Als die muziek snel is denken jullie altijd dat je die benen wijd moet zetten. Hou ze bij elkaar!”

Twee professionele tangodansers leren intussen de juiste stapjes aan wat harkerige schrijvers. In een kermistentje zoals ze wel in de verhalen van Gabriel García Márquez voorkomen, gilt de redactie van Propria Cures het uit bij twee vurig kijkende kunstschaatsters op een rood tapijtje. Een groepje geschokte kunstacademiestudenten vraagt of het normaal is dat hun tropische decors al ruim voor twaalven door de gasten van de wanden worden geplukt. “Dat wil de gewoonte”, troost iemand. En iedereen vraagt waar Harry Mulisch is. “Eeuwig Eldorado, wat heb ik eraan”, bromt Jules Deelder.

“Nederlanders durven geen verhalen te vertellen, daar hebben ze de Zuidamerikanen voor nodig”, zegt schrijver Stephan Sanders. “Behalve Gerard Reve. Dat is onze Márquez.”