Artistiek engagement op menselijke maat

Machteloosheid is geen welkom gevoel. Hoe meer er gebeurt, vooral als dat onaangename dingen zijn, hoe liever men in staat zou willen zijn om iets te doen, iets te verhelpen, iets op te lossen. Maar dat kan vaak niet. Heel Israel voelt zich machteloos tegenover de zelfmoordaanslagen, en de hele wereld daar omheen, iedereen die zo graag vrede zou zien is al even machteloos. En dan gaat het nog om staten, om regeringen - om instanties kortom die eventueel iets zouden kunnen doen, die 'maatregelen' kunnen nemen, of 'acties' beginnen. Maar iedereen apart, zeker van op afstand, kan weinig anders doen dan in afschuw het hoofd schudden en hopen dat het ophoudt.

Het is een onmachtig gevoel, dat verlangen naar vrede, en ook een enigszins onverschillig gevoel. Want in het algemeen vrede willen, dat brengt de vrede heus niet dichterbij. Daarvoor zijn oplossingen nodig en standpuntbepalingen en grondige kennis van de aard van het conflict. Maar zelfs wie zich zo'n grondige kennis verwerft, wat kan hij doen, pratend en denkend, achter het bureau, op het fietstochtje naar het werk, tijdens de zondagse wandeling door de duinen? Niets bijzonders. Dat bevredigt niet.

Waar het nog over gaat als we alleen deze tafel het papier, de beschermde straat dicht bij huis nog hermaken maar de wereld daar overlaten aan lawaai en haat.

Dat dichtte Willem van Toorn onlangs (in Tegen de tijd, een in kleine oplage verschenen bundel van de Atalanta Pers met prenten van René Bakker). Het is de verzuchting van iemand die zich machteloos weet maar het niet wil zijn, de verzuchting van een dichter die wel graag zou willen weten wat de taak van de poëzie zou kunnen zijn. Wellicht zelfs van een kunstenaar die zich nog wel graag, zoals dat ooit hoorde, zou engageren - maar hoe? En met wat?

Het wordt de kunst nogal eens verweten, dat zij zo losgezongen is geraakt van 'wat er echt aan de hand is', dat zij zich niet uitspreekt. Tegelijkertijd is keer op keer te zien dat kunstenaars die het domein van de kunst verlaten om in de echte wereld hun mening te geven, daar niets bijzonderders te zeggen hebben dan wie dan ook. Vaak integendeel.

Onlangs deed Peter Handke een moedige poging om in de Joegoslavische kwestie een standpunt in te nemen, om iets te doen, en niet alleen maar werkeloos achter de televisie te zitten huiveren. Hij reisde naar Servië en zag aardige mensen, glooiende hellingen, agrarische kalmte. Hij at Servische koolsla en Servische kip, hij liftte mee in een Servische auto en zag de Servische zon ondergaan achter Servische heuvels. Dit volk wordt door de wereld miskend, vond Handke. En hij schreef een potsierlijk en sentimenteel reisverslag waarin hij zijn uiterste best deed om te bewijzen dat Serviërs bijzondere mensen zijn. Met mooie tradities en fijne markten waar ze op een heel bijzondere, eigen, volkse manier hun groenten en fruit verkopen. Een volk dat geen oorlog had verdiend en zeker de haat van de wereld niet. Ach, het was tot mislukken gedoemd, deze poging tot engagement en Handke is dan ook nauwelijks door iemand serieus genomen. Maar de aandrang was zo sympathiek. Want wat anders?

Is dat voor een leven genoeg:/ dit moment, deze plaats,/ de bewegende hand die een groef/ in de harde steen achterlaat/ die de tijd weer geduldig wegslijpt?, vroeg Van Toorn zich in het al genoemde gedicht af.

Het lijkt niet veel, en het is een voorstelling van zaken die expres het leven dat geleid wordt als zo klein mogelijk laat zien. En op de eeuwigheid is het niet veel nee, maar de eeuwigheid is ook zo groot. Daar hoeven we toch helemaal geen krassen in te zetten. Want een leven is zo weg, maar de echte opgave moet toch zijn er iets van te maken.

Wat Van Toorn, in zijn verlangen naar engagement, naar een woord dat iets aan alles zou kunnen veranderen - want hij heeft het expliciet over Joegoslavië, over het verwoeste Mostar, over Algerije, over bloed, over 'de alledaagse aanslag' - laat zien, is dat dat woord niet gevonden wordt, maar iets anders wel. Een houding, een blik, een begaanheid met de wereld niet alleen in het groot, maar vooral, dat geeft hem zijn overtuigingskracht, in het klein.

Want tussen alle gedichten vol vragen en reizen door, keert de dichter steeds weer terug naar een tuin waarin zijn moeder zit, kinds geworden, onmachtig om zich nog als vroeger uit te drukken - zij houdt 'haar antwoorden vragend omhoog in het avondlicht' - en alles wat hij over haar schrijft bewaart haar, houdt de wereld in stand, laat zien wat kunst kan. Zij stelt de echte vragen: Waar moet hij toch allemaal/ altijd henen en wat is daar/ dan dat hier niet bestaat.

Misschien is dat wel het meeste wat er te bereiken is: aandacht voor wie nabij is maar vreemd. Goed voelen wat er bewaard moet en kan blijven, desnoods alleen maar in woorden, in de verbeelding. Dat is machteloos, maar zinloos is het niet.