'Veel jongens lokken sekscontacten zelf uit'; Seksuoloog Wafelbakker over 'stoeicontacten' op school tussen docenten en leerlingen

UTRECHT, 12 MAART. “Na Oude Pekela zouden we toch beter moeten weten”, zegt seksuoloog Frits Wafelbakker (70). Op zijn bureau bij het Nederlands Instituut voor Sociaal Seksueel Onderzoek (NISSO) in Utrecht liggen de krantenknipsels in stapels naast elkaar. Links het schandaal over de christelijke school in Rijssen waar een godsdienstleraar in achttien jaar tijd een dertigtal jongens zou hebben 'betast'. Rechts de onthullingen over de gereformeerde school in Amersfoort, waar een leraar pornofilms met jongens zou hebben bekeken. Twee jongens zouden zijn verkracht.

Wafelbakker is verbaasd over de grote ophef die plotseling rond deze affaires wordt gemaakt. Er is natuurlijk het “pikante detail” dat beide zedenzaken zich afspelen in streng-protestantse gemeenschappen. Maar het schandaalgeroep van de afgelopen weken over de leraren en hun scholen draagt volgens hem niet bij aan enig inzicht in de vraag hoe dit soort verhoudingen met jongens ontstaan.

“We zijn ervan overtuigd dat nogal wat jongeren, en met name jongens, seksueel-erotische contacten met ouderen aangaan, en dat ze die contacten zelf uitlokken”, stelt Wafelbakker, die jarenlang werkte als inspecteur jeugdgezondheidszorg bij het ministerie van Welzijn en Volksgezondheid. Juist bij jongens in de puberteit is er volgens Wafelbakker een grote behoefte om “wat te beleven” met een oudere. “Leraren en groepsleiders weten: na de les blijven er altijd wel een of meer jongens hangen om nog wat te stoeien. Die stoeicontacten hebben voor die jongens een grote seksuele lading. Als ouderen daar geen afstand van houden, kan het heel gemakkelijk komen tot een contact.”

Voor de jongens zelf heeft dat gestoei niets met homoseksualiteit te maken, maar is het een vorm van “lichamelijk experimenteren”. De beleving van dit soort contacten is voor jongens dan ook heel anders dan voor meisjes.

Jongens en meisjes maken in hun puberteit een radicaal andere seksuele ontwikkeling door. Meisjes zijn vooral gericht op emotioneel contact. “Ze zwijmelen weg bij lieflijke romances en kasteelromans. Terwijl de jongens zijn gericht op macho-gedrag. Geweld scoort zeer hoog bij jongens op die leeftijd.” De meeste jongens doen ook hun eerste seksuele kennis op via de pornografie. “Dat is natuurlijk geen beste start. De vrouw kirt en kraait en de man neemt het initiatief. Geweld, stromen met zaad, en kolossale erecties.”

Niet alleen emotioneel, maar ook puur lichamelijk maken jongens een andere ontwikkeling door dan meisjes. Jongens hebben nachtelijke zaadlozingen. Daarbij horen erotische dromen waarin ze van alles beleven. “Dat willen ze dan overdag voortgezet zien.” Van de jongens masturbeert in die fase 98 tot 100 procent. Bij meisjes komt dat pas veel later. Onderdeel van de extreem-lichamelijke manier waarin de mannelijke seksualiteit zich ontwikkelt is het onderlinge “verkennings- en stoeigedrag”: “Je ziet dat in de sport en onder de douche. Dan moet er even aan elkaar gezeten worden. Er is ook een sterk competitie-element: wie heeft de grootste, wie kan het eerst spuiten, wie kan het verst.”

Het spelen van seksuele spelletjes met andere jongens en mannen maakt een normaal onderdeel uit van de seksuele ontwikkeling van jongens, meent Wafelbakker: “Praten, rolschaatsen en wiskunde leren kinderen van ouderen. Waarom geen seks?”

Het probleem is dat dit soort zaken in de voorlichting niet of nauwelijks worden genoemd, en al helemaal niet op christelijke scholen. Als het seksuele experimenteergedrag van jongens gewoon bespreekbaar zou zijn, zouden zich minder situaties voordoen zoals nu in Rijssen en Amersfoort, denkt Wafelbakker. Nu zie je dat een heleboel volwassen mannen niet herinnerd willen worden aan de seksuele spelletjes die ze vroeger met andere jongens speelden, omdat het uitgelegd zou kunnen worden als homoseksueel verlangen. “En dat wil men al helemaal niet”.

Daarbij komt dat het taboe op homoseksualiteit onder jongeren onder invloed van de kerk, maar ook door de grote toestroom van allochtonen, eerder toe- dan afneemt, zegt Wafelbakker. “Als er maar één jongen zou zeggen dat hij een homoseksuele voorkeur had, zou hij onmiddellijk van de anderen een blok op zijn kop krijgen”, zo vertelde een leraar van een technische school hem onlangs op een conferentie.

De opwinding die nu is ontstaan over de affaires in Rijssen en Amersfoort heeft volgens Wafelbakker alles te maken met het grote “ethische debat” dat op dit moment onder deskundigen is opgelaaid over seks met minderjarigen. De Nederlandse wetgeving laat toe dat jongeren vanaf twaalf jaar seks hebben met wie ze willen. Het is alleen niet toegestaan voor opvoeders, zoals ouders of leraren, om seks met jongeren te hebben. Van een strafdelict is het bovendien een klachtdelict geworden.

“Je ziet nu dat de politie nogal bezig is om die klachten uit te lokken”, stelt Wafelbakker. In Rijssen bijvoorbeeld zou er volgens de godsdienstleraar met dertig jongens contact zijn geweest. De politie heeft de jongens benaderd, en uiteindelijk zijn er twaalf klachten binnengekomen. “Dat betekent dat meer dan de helft niet heeft geklaagd. Misschien vond een aantal van die jongens het allemaal best leuk. Vaak zie je dat die jongeren ook echt wel om zo'n oudere geven. Dat blijkt ook in Rijssen: niet voor niets stonden die leraren aangeschreven als vriendelijk en populair.”

Nu de minister op het punt staat om artikel 249 van de zedelijkheidswetgeving te evalueren, ziet Wafelbakker toenemende activiteiten van de aanhangers van het standpunt dat elke seksuele handeling tussen een jongere en een oudere 'seksueel misbruik' is. Dit ethisch reveil komt uit Amerika overgewaaid, waar, als het over jongeren gaat, alleen nog maar wordt gepraat in termen van 'sexual victims'. In Nederland is het met name de Amsterdamse zedenpolitie die dit standpunt vormgeeft. Voorbeeld is de inbeslagname vorig jaar van de poster voor een filmfestival waarop een naakt jongetje te zien was met een camera om zijn nek. De zaak werd geseponeerd door het openbaar ministerie.

De Nederlandse wetgeving gaat uit van de opvatting dat seksuele contacten met ouderen geen probleem zijn, zolang de jongeren het maar zelf opzoeken en zolang ze er zelf plezier in hebben. Volgens Wafelbakker is dit uitgangspunt een groot goed. De opwinding die nu naar aanleiding van Rijssen en Amersfoort is ontstaan, brengt de discussie echter in troebel water.

Ook Wafelbakker staat op het standpunt dat opvoeders hun handen thuis moeten houden. Hij was voorzitter van de ministeriële commissie die in 1994 richtlijnen opstelde voor het handelen van beroepsbeoefenaren bij het vermoeden van misbruik van jeugdigen. Een van de belangrijkste aanbevelingen was dat men ervoor moest zorgen dat de pers erbuiten bleef. Volgens hem hebben de scholen toen de eerste meldingen van misbruik een paar jaar geleden binnenkwamen in dat opzicht juist gehandeld. Ze hebben echter verzuimd om zodanig op te treden dat het niet meer voor kon komen. Wafelbakker: “Als blijkt dat zo iemand zijn handen niet thuis kan houden, moet hij gewoon de bejaardenzorg in.” Het treurige is alleen dat het effect dat nu van de schandalen uitgaat, is dat alle seksualiteit tussen jongeren en ouderen weer in de hoek wordt gezet van 'fout' en 'slecht'.